Zware kost met horror, zweepslagen en gegrom

Componist des Vaderlands Willem Jeths schrijft alleen maar wat hij zelf mooi vindt. Wat je dan terughoort is zijn liefde voor Mahler.

Componist des Vaderlands Willem Jeths uit zijn liefde voor Mahler met zijn Symfonie nr. 1. Foto SANDER KONING / ANP

Het is een vreemde paradox: terwijl de behoefte van orkesten en ensembles aan nieuwe composities steeds kleiner wordt, neemt de creatieve vrijheid van de 21e-eeuwse Nederlandse componist alleen maar toe. De streng serieuze modernistische richtlijnen van het recente verleden durft niemand meer te verdedigen. Joey Roukens omarmt het eclecticisme van zijn muziekverzameling, Mayke Nas heeft een bovengemiddeld gezonde dosis humor, Michel van der Aa bouwt hippe multimedia-labyrinten als was hij een muzikale Zuckerberg.

En Willem Jeths? De 56-jarige Componist des Vaderlands zei onlangs in een interview alleen nog maar te schrijven wat hij zelf mooi vindt. Met als gevolg dat zijn grote liefde voor Mahler nu een ongeremd Mahleriaanse uiting krijgt: zware thema’s en grootse romantische gebaren, direct overgeplaatst uit het fin-de-siècle. Zijn op cd uitgebrachte Eerste symfonie is daarvan het beste bewijs.

De bijna 40 minuten durende symfonie is mede gebaseerd op een ouder werk van Jeths, ‘Scale – Tombeau de Mahler’. Deze ode, die letterlijke citaten van de lugubere processie uit Mahlers Tiende symfonie bevat, fungeert nu als tweede deel van in totaal vier adagio’s. En ja, dat levert in de bevlogen uitvoering van het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Edo de Waart zware kost op. Traag stijgende toonladders symboliseren de trappen die elk mens moet beklimmen, terwijl in de verte geplaatste koperblazers een echo zijn uit het verleden of uit het hiernamaals. Tijdens een zeer dissonante climax stort de protagonist onder zweepslagen en horrorakkoorden weer de diepte in. Het derde deel voelt daarna als een opzettelijke herhaling van zetten: wéér die prachtig lijdzame soli van koperblazers, wéér het broeierige klankveld waaruit het orkest tevergeefs probeert los te raken, en ook het Fernorchester is nooit ver weg.

De moraal wordt geleverd in de hoekdelen. Daar zingt mezzosopraan Karin Strobos met fraai timbre fragmenten uit Goethes ‘West-Östlicher Divan’: eerst over het cyclische leven waarin het einde het begin is, gepaard aan steel drums die het late werk van Benjamin Britten in herinnering roepen. De symfonie sluit af met teksten over een vlinder die naar het licht vliegt en verbrandt. Lees: over de plicht van de mens om koste wat kost het hoogst haalbare na te streven. Die boodschap klinkt na zoveel gegrom in een zalig en verzadigd majeur.

Je verlangt toch ook naar vrolijkheid

Al net zo elegisch schuift op deze cd Jeths’ ‘Blokfluitconcert’ voorbij, gecomponeerd voor blokfluitvirtuoos Erik Bosgraaf. Zuchtende motiefjes uit Mahlers ‘Wenn dein Mutterlein’ nam Jeths mede als vertrekpunt, waarbij de blokfluit symbool is van de pure kinderziel. Jeths vindt wederom schitterende klankcombinaties. Toch begin je ook hier hevig te verlangen naar vrolijke banaliteit en pure levenslust ter afwisseling van alle verheven tragiek. Dat deed Mahler immers ook.