Witte rijst wordt hier dé witte rijst

Taalkunde De Chinese taal Wu kent geen lidwoorden. Maar Wu-sprekers in Nederland, vaak houders van Chinese restaurants, gebruiken hier wél lidwoorden.

In het Chinese Wenzhou gebruiken bewoners minder lidwoorden dan hun taalgenoten in Nederland. Foto Hollandse Hoogte

De Chinese taal Wu heeft geen lidwoorden. Maar in de variant die veel Nederlandse Chinezen spreken, duikt toch vaak een soort lidwoord op. Het is een voorbeeld van hoe in de hoofden van mensen die tweetalig zijn, de grammatica van de ene taal (Nederlands) die van de andere taal (Wu) kan beïnvloeden.

Dit merkwaardige Nederlandse Chinees mét lidwoorden is ontdekt door onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam.

De Chinezen die ooit in Nederland Chinees-Indische restaurants begonnen, kwamen vaak uit Wenzhou, een grote havenstad onder Shanghai. Ze spreken van huis uit de Chinese taal Wu, en daar een regionale variant van: het Wenzhounees.

‘Man lees krant’

Het Wu heeft, net als andere Chinese talen (Mandarijn, Kantonees), géén uitgangen voor meervoud, géén vervoeging van het werkwoord en géén lidwoorden. Het is, voor Nederlandse begrippen, een behoorlijk kale taal. ‘De man leest de krant’ is in het Wu zoiets als ‘Man lees krant’.

De Amsterdamse onderzoekers vergeleken alledaagse gesprekken van Nederlandse Chinezen met gesprekken in Wenzhou zelf. De Nederlandse Chinezen gebruiken het aanwijzend voornaamwoord (die, dat) vaker dan de Chinezen in Wenzhou. De jongere generatie doet dat bovendien veel meer dan de oudere generatie. Zij zeggen in het Wenzhounees dus vaker dingen als ‘Die man lees die krant’ in plaats van ‘Man lees krant’. Ze gebruiken het aanwijzend voornaamwoord daarin als een soort lidwoord. Dat kan de invloed van het Nederlands zijn.

Een onbepaald lidwoord (‘een’) geeft aan dat er in een gesprek een ‘nieuw’ element geïntroduceerd wordt, terwijl een bepaald lidwoord (‘de’, ‘het’) gebruikt wordt bij al eerder geïntroduceerde en dus ‘bekende’ elementen in zo’n gesprek.

In een goed gesprek zijn bekende en nieuwe informatie mooi met elkaar in evenwicht. Een gesprek dat alleen maar uit al bekende informatie bestaat is dodelijk saai. En een gesprek dat alléén maar uit nieuwe informatie bestaat is vrijwel onmogelijk. Je kunt nieuwe informatie alleen goed presenteren als je die verbindt aan bekende dingen. In de grammatica zijn er allerlei manieren om bekende en nieuwe informatie te markeren. Het gebruik van lidwoorden is zo’n manier. Ruim de helft van alle talen heeft lidwoorden of bijvoorbeeld speciale uitgangen.

Bepaald lidwoord komt eerst

Talen die dat allemaal niet hebben, beschikken over andere manieren om in de zinsstructuur te laten zien wat bekend en wat nieuw is. Bijvoorbeeld, door zinnen liefst te laten beginnen met wat bekend is of wat bekend verondersteld wordt, en daarna de nieuwe informatie te laten volgen. Vermoedelijk deden de Germaanse talen dat vroeger, lang geleden, ook. Rond het jaar 500 waren de Germaanse talen nog helemaal lidwoordloos. De lidwoorden hebben zich ontwikkeld in de periode van 500 tot 1000. Eerst ontstond het bepaalde lidwoord, uit de al bestaande aanwijzende voornaamwoorden (die, dat). Vervolgens ontstond het onbepaalde lidwoord, uit het telwoord ‘een’. Opmerkelijk is dat in diezelfde periode precies hetzelfde gebeurde in de Romaanse talen. De opkomst van het lidwoord ging samen met het afsterven van de naamvalsuitgangen van zelfstandige naamwoorden.

De Amsterdamse onderzoekers vonden in het ‘Nederlandse’ Wenzhounees overigens geen toenemend gebruik van het telwoord ‘een’. Dat strookt dus met wat in de Germaanse talen is waargenomen: eerst ontstaat het bepaalde lidwoord, daarna pas het onbepaalde lidwoord.

Ook in Wenzhou zelf neemt het gebruik van het aanwijzend voornaamwoord als een soort lidwoord toe, maar niet zo sterk als in Nederland. In Nederland verloopt de ontwikkeling sneller, wat wijst op invloed van het Nederlands.