Column

Sprookjes

Mijn zus probeert haar twee zoontjes genderneutraal op te voeden, wat erop neerkomt dat ze geen sprookjes mogen (want die zijn haar te rolbevestigend). Voor Grimm en consorten moeten de jongens bij mij zijn. Waar andere kinderen met hun gekke tantes een weekend lang friet en e-nummers naar binnen werken, komt een neefjesbezoek er bij mij op neer dat ik ze uren voorlees. Ze kunnen er geen genoeg krijgen. Mijn huis voelt op dat soort dagen als een schuilkerk.

„Eigenlijk was de prins best wel een sukkel”, zucht de oudste na afloop van Doornroosje.

„Ja”, zegt zijn broertje, „wie gaat er nou voor een chick die honderd jaar ouder is dan hij?”

„Nee”, zegt de oudste, „wie wil er nou iemand zoenen die slaapt. Mama’s adem ruikt ochtends naar vuilnisbak. Kun je nagaan hoe erg je na honderd jaar slapen uit je mond meurt.”

„Nou, nou”, zeg ik, mijn gezicht in de plooi houdend, „voor een prinses mag je toch wat over hebben?’’

We pakken het boek er nog eens bij. Op de omslag zien we de heldin vredig tukken tussen de rozen. „Het plaatje klopt ook niet”, zegt de jongste. „Doornroosjes haar zit vet goed. Dat kan echt niet na een nacht slapen.” Ik bedenk hoe vet dat haar van Doornroosje moet zijn geweest na een eeuw te hebben gepit. Alsof ze heeft gedoucht met vloeibare Croma. En dat niet alleen: ik hoef maar een etmaal mijn gezicht niet schoon te maken of ik ben een en al acné en rimpels. Bovendien is Doornroosjes jurk nog schoon en ongekreukt. Ik heb nog nooit iemand meegemaakt die er bij het opstaan niet uitziet alsof hij een paar uur in een droogtrommel heeft gezeten.

„Ze zal ook wel in bed hebben geplast”, zegt de jongste.

„Nou, nou”, zegt ik, „ze zal toch wel zindelijk zijn geweest?” De oudste rolt met zijn ogen. „Het was een toverspreuk. Ze wordt tussendoor echt niet wakker om naar de wc te gaan.” Hij heeft een punt. Stel dat ze, voordat ze in een coma raakte, nog net twee halve liters achterover heeft geslagen, het was immers haar achttiende verjaardag.

„Dus”, zeg ik resumerend, „Doornroosjes haar zat ruk, haar kleding was ranzig, haar gezicht zat onder de mee-eters en haar adem rook als een daklozenopvang.”

„Jemig, tante, doe even normaal”, zegt de oudste. „Het ging helemaal niet om liefde. Het ging om macht. Hij werd zo koning.”

„Ja”, zegt de jongste, „het waren andere tijden.”

Op naar Hans en Grietje.