Column

‘Sportvissers doden 300 ton aan palingen’

Dat stelt de Combinatie van Beroepsvissers in het Algemeen Dagblad.

De aanleiding

Het Algemeen Dagblad meldde vorige week dinsdag dat Nederlandse sportvissers jaarlijks 300 ton aan palingen laten sterven. Dit terwijl de Europese paling met uitsterven bedreigd wordt.

Het bericht zorgde voor een ruzie tussen sportvissers en beroepsvissers. Sportvissers mogen geen palingen meer vangen, en als het toch gebeurt, moeten ze die terugzetten. Maar dat doen ze niet: ze nemen er 404.000 mee naar huis. Dat zit de beroepsvissers dwars, zegt Jaap Geleijnse van de Combinatie van Beroepsvissers, omdat die sinds het Aalbeheerplan van 2009 aan quota zijn gebonden. Als de sportvissers niet zoveel uit het water zouden halen, zouden de beroepsvissers meer mogen vangen.

De sportvissers zijn op hun beurt kwaad over de beschuldiging. Sportvisserij Nederland schrijft op de website: „Deze bizarre cijfers zijn gebaseerd op twee discutabele onderzoeken.” Volgens de sportvissers vangen ze soms per ongeluk een paling, maar zetten ze die meteen weer terug. Hun weerwoord stond woensdag in het AD: „Palingrel glibbert vissers in het verkeerde keelgat.”

Waar is het op gebaseerd?

De bron is een persbericht van de Combinatie van Beroepsvissers, die een eigen berekening hebben gemaakt. De som: sportvissers nemen jaarlijks 404.000 palingen mee naar huis en gooien er 1.584.000 terug. Daarvan sterft de helft alsnog: 792.000 palingen. Opgeteld overlijden 1.196.000 palingen. Ervan uitgaande dat een paling gemiddeld 250 gram weegt, staat dat gelijk aan 299 ton paling.

Zijn dit ‘bizarre cijfers’ uit ‘dubieuze onderzoeken’, zoals de sportvissers zeggen?

De beroepsvissers combineren twee onderzoeken. Het eerste is de tweejaarlijkse telling van zeeonderzoekscentrum IMARES, dat de sportvisvangst bijhoudt voor het ministerie van Economische Zaken. IMARES liet 2.400 sportvissers een logboek van hun vangsten invullen. Dit onderzoek noemt de aantallen gevangen en teruggezette palingen, maar zegt niets over de sterfte onder de laatste groep.

Dat cijfer hebben de beroepsvissers uit een tweede onderzoek, van Duitse en Noorse wetenschappers. In een artikel in Biological Conservation (vol. 299, 2016) vertellen zij dat ze 32 palingen vingen en vervolgens toekeken hoe de vissen die het haakje hadden doorgeslikt, langzaam stierven. Na 163 dagen waren 13 palingen alsnog overleden; 40,6 procent.

En klopt het?

De geschatte vangstcijfers komen van IMARES, de autoriteit op dit gebied, en is op een gangbare wetenschappelijke manier verkregen. IMARES laat weten: „De cijfers kloppen, maar de interpretaties die de sector en de sportvisserij koppelen aan de cijfers, zijn ieder vanuit een eigen perceptie.”

Het tweede onderzoek is niet geschikt voor dit soort berekeningen, zegt Duitse onderzoeker Harry Strehlow van het Thünen-instituut te Rostock: „Ons onderzoek is onbruikbaar voor zo’n extrapolatie.” Daarvoor is volgens hem het onderzochte aantal palingen te klein, zijn de omstandigheden te specifiek, en ontbrak een controlegroep. Het ging verder alleen om palingen die het haakje hadden doorgeslikt. De palingen die dat niet deden, werden niet onderzocht.

Conclusie

Het klopt dat sportvissers veel paling vangen – 404.000 vissen, 101 ton per jaar – terwijl dit verboden is. Maar dat ze verantwoordelijk zijn voor de dood van 300 ton aan palingen, zoals de beroepsvissers beweren, wordt niet voldoende onderbouwd. Hoeveel ton paling er na opgevist te zijn alsnog sterft, is op basis van deze onderzoeken niet te becijferen. We beoordelen de bewering daarom als ongefundeerd.

Wilfred Takken