Kakelverse taal van Basart

Na twintig jaar zwijgen komt R.A. Basart met een boek waaruit je wilt blijven citeren.

De ene comeback is de andere niet. Bij een geblesseerde voetballer als Kevin Strootman voelt een jaar afwezigheid al als een eeuwigheid, terwijl schrijvers doorgaans een veel langere pauze wordt vergund. Oek de Jong laat gerust intervallen van tien of vijftien jaar tussen zijn boeken vallen, Wessel te Gussinklo bracht na De opdracht een krappe twintig jaar geen roman uit en keerde glorieus terug met Zeer helder licht. M.M. Schoenmakers leek na Het zwaard van goud en liefde (1998) in rook opgelost en bracht vorig jaar plotseling het mooie, onmodieuze De wolkenridder uit. En ook R.A. Basart (1946) neemt zijn tijd. Midden jaren zeventig verschenen er twee dichtbundels van zijn hand, twintig jaar later was daar De laatste lach, een roman die in deze krant beschreven werd als ‘een vernuftig bouwsel vol dubbele bodems, literaire verwijzingen en ongegeneerd jatwerk’. Wéér twee decennia later komt de Nederlandse auteur met De verzoening.

En net als De laatste lach gonst ook deze roman weer van andermans literatuur, maar de grootste kracht gaat niet daarin schuil, maar in de stijl. Die doet denken aan wat de Russische literatuurcriticus Viktor Sjklovski in zijn invloedrijke essay Kunst als techniek ooit beschreef als de kern van kunst: het zodanig weergeven van iets zodat de toeschouwer vervreemd raakt van zijn ingesleten, clichématige perceptie ervan. Doordat we onze omgang met de dingen keer op keer herhalen gaan we ze samenvatten met dezelfde woorden. Literatuur zou ons van die woorden moeten bevrijden zodat we de dingen weer als nieuw gaan zien. Dat klinkt misschien nog wat vrijblijvend, maar het wordt een stuk interessanter als je erbij stilstaat dat er waarden aan die woorden vastzitten. Zo staat, een onschuldig voorbeeld, regen in de volksmond per definitie gelijk aan ‘rotweer’. Is die overlapping door elk individu geconstateerd of stemmen we klakkeloos met zo’n platitude in?

Een kin gedoopt in maanzaad

De verteller en personages van Basart zijn talige ondermijners. De één ziet een kort baardje aan voor een kin ‘gedoopt in maanzaad’, en als ergens een fruitmachine uitbetaalt ‘begint er een zilveren mitrailleur te ratelen’ en als de winter aanbreekt lezen we: ‘Om de hoek bleek een half uur lopen, door straten waarvan de grauwheid geaccentueerd werd door vegen rood van vuurwerkresten. De huizen stonden kleumerig te roken; en toen de zon even keek door een kier in het grijs, zag ze de schaduw van die rook bewegen over de auto’s aan de overzijde, een moedeloos makende trein van blik [...]’.

Je kunt Basart wel blijven citeren, want het is echt prachtig en verruimend wat hij tevoorschijn tovert.

Deze kakelverse taal wordt gebruikt om de banaalste aardse zaken te vangen. Niet alleen geeft Basart aan dat het hoe-je-iets-kunt-zien belangrijker is dan het wat-je-ziet, hij laat ook zien hoe plat en dommig de menselijke daden in wezen zijn. Hoerenbezoek valt daaronder, maar ook de nieuwlichterij van een onderwijsadviseur op de school die een prominente plek in het boek heeft.

Opvallend vaak steggelt men in De verzoening over God, of beter, over godsbewijzen. En ook dan trekt Basart zich weinig aan van een weergave die enigszins overeenkomt met hoe we het al kennen, want hij laat liever obers, zwervers en dames van lichte zeden over theologische vraagstukken discussiëren dan bisschoppen en filosofen. Had ik al gezegd dat De verzoening vaak onweerstaanbaar grappig is?

Verliefd op een Aziatische postbode

Nu ben ik nog helemaal niet aan de plot toegekomen. Vooruit: Ini Pardijs, geneesheer uit de alternatieve hoek, vroeger werkzaam in het onderwijs, wordt verliefd op een Aziatisch ogende postbode omdat deze in de verte op zijn zoon lijkt. Die zoon heeft iets met Sumi, later met Elisee, met wie hij trouwt. De eerste ontmoeting met haar ouders verloopt ongemakkelijk, met vallende stiltes waarbij je alleen nog ‘het tikken van een vlieg’ tegen een lampenkap hoort en ‘het gebonk van een klok, loom en log als een walvishart’. Later wordt de zoon bordenwasser in Italië en sterft Elisee.

Maakt het uit, de plot? In dit geval niet. De ijzeren wet van Tsjechov schrijft voor dat wanneer er op het toneel een pistool geïntroduceerd wordt, je er vergif op kunt innemen dat het gebruikt gaat worden. Ini Pardijs krijgt al vroeg een pistool in de schoot geworpen. Als lezer mag je raden of het afgaat.