Het pleegkind was het ‘slechte kind’

Micha de Winter Kinderen in pleeggezinnen werden soms als knecht gebruikt en vaak achtergesteld bij biologische kinderen

Foto Roos Koole / ANP

Elisabeth (1952) zat van jongs af aan in een pleeggezin. Haar echte vader zat in de gevangenis, moeder was zwakbegaafd. Met de jaren werd haar pleegmoeder strenger. Overal kwamen regels voor. Verboden naar de wc te gaan als je ’s avonds in bed ligt. Ging Elisabeth toch naar de wc, dan wachtte een scheldkanonnade. Geweld kon zomaar losbarstten. Ze kreeg geregeld harde klappen op haar hoofd. Ze was een slecht, zondig kind, zeiden haar pleegouders. Pas op, anders eindig je nog als je vader.

Op haar zestiende belandde Elisabeth bij nieuwe pleegouders. Die zetten haar in als goedkopere arbeidskracht. Na schooltijd moest ze van tien kilo oude kranten papierrollen maken, om te verkopen aan marktkooplui. De opbrengst ging aan haar neus voorbij. Net als de bos bloemen die ze van anderen had gekregen voor haar havo-diploma. Haar pleegouders verplichtten Elisabeth om de bloemen af te staan aan een familielid van hen dat in het ziekenhuis lag.

Een klein jaar verrichtten hoogleraar maatschappelijke opvoedingsvraagstukken Micha de Winter en zijn zes collega-commissieleden een verkenning naar geweld in de jeugdzorg sinds 1945. Ze stuitten op tientallen verhalen als die van Elisabeth. Verhalen uit pleeggezinnen, internaten, weeshuizen. De verkenning van De Winter volgt op onderzoek (2010-2012) van de commissie-Samson naar seksueel misbruik in de naoorlogse jeugdzorg. Seksuele vergrijpen vertelden volgens die commissie niet het hele verhaal. Geweld in brede zin moest onderzocht. Het kabinet stelde vorig jaar de commissie-De Winter in. Eerste doel: achterhalen of een diepgravend onderzoek naar geweld in de jeugdzorg sinds 1945 überhaupt haalbaar is. Ja, zegt De Winter vandaag. En het is noodzakelijk. Dit is wat hij zegt over zijn bevindingen.

„Archiefonderzoekers hebben voor ons steekproeven gehouden in de dossierkasten van allerlei jeugdzorginstellingen. Van alles kwam naar boven. Brieven ergens in het zuiden van het land van een vrouw die in de jaren vijftig een bezoek bracht aan een huis voor verstandelijk gehandicapte kinderen. Die mevrouw zag dat een van die zusters daar de kinderen met ijzeren staven in het gareel liep te houden. En dat de kinderen ondervoed waren. Elders kwamen we het verhaal tegen van een man die in een instelling medische experimenten deed met kinderen. Ruggemergpuncties. Die zaak was bekend, die werd destijds ook onderzocht, en eind jaren zeventig gemeld aan de Kamer. Het meest opvallende is dat de man daarna gewoon heeft kunnen doorwerken.

Mensen meldden zich spontaan

„Een meldpunt hebben we nog niet ingesteld, maar zo’n tweehonderd mensen hebben zich het afgelopen jaar spontaan bij ons gemeld. De verhalen die ze ons vertelden, gaan vaak over langdurig psychisch of lichamelijk geweld.

Opsluiten, slaan, treiteren, vernederen. Nonnen die de natte onderbroek in de mond propten van bedplassende kinderen. Zo, en ga nu maar in je blootje voor de groep staan.

„Onontgonnen terrein is de pleegzorg. Pleegouders namen kinderen in de jaren vijftig en zestig vaak op met een financieel motief, niet vanuit pedagogisch idealisme. Mensen meldden zich bij ons met verhalen over de totaal liefdeloze bejegening in de pleeggezinnen van hun jeugd. Ik sloeg er steil van achterover. Het enorme verschil in bejegening tussen het biologische kind en het pleegkind. Van de een werd gehouden, van de ander niet. Voorbeeld. Het is Sinterklaas, tijd voor cadeautjes. Cadeautjes voor de eigen kinderen althans. Het pleegkind wordt naar de keuken gestuurd en krijgt niets. Een paar mensen van in de zeventig vertelden ons dit soort verhalen. Ze kregen er nog tranen van in de ogen. Het gevoel van uitgesloten-zijn. Wat dat doet met een kind.

Ik sloeg steil achterover van de verhalen

Micha de Winter

„Maar we stuitten ook op verhalen over regelrechte uitbuiting. Werken in de winkel of op het land. Als een soort knecht, een slaaf. En de biologische kinderen hoefden dat werk dan niet te doen, of minder.

„Ik heb de mensen elke keer gevraagd: er was toch ook een voogd die toezicht hield, waar was die in dit verhaal? Ja hoorde ik dan, als je geluk had kwam de voogd één keer per jaar langs. En je kreeg de voogd als pleegkind zelden of nooit in je eentje te spreken. Altijd was een van de pleegouders erbij. Dat gold ook voor de tehuizen. Eén vrouw die we spraken durfde een voogdes te vertellen dat ze werd geslagen en na het bedplassen werd vernederd, in een Rotterdams weeshuis. De voogdes sprak erover met de zusters daar. De vrouw vertelde ons: de mishandeling werd drie keer zo erg. Haar moest afgeleerd worden slechte dingen over anderen te vertellen.

„Als je je beperkt tot de verhalen van slachtoffers, dan krijg je een heel zwart beeld over een sector waarin ook goede dingen zijn gebeurd. We horen verhalen over toegewijde pleegouders en groepsleiders. Er is al met al een geschakeerd beeld te zien.”

„Het is belangrijk om nu systematisch onderzoek te doen. De archieven doorploegen, een officieel meldpunt opstarten. Voor gegevensopbouw. Niet kwantitatief. Daarvoor zijn de archieven te versnipperd. Dus we kunnen niet op grond van dit vooronderzoek, en straks ook niet na twee jaar, met terugwerkende kracht zeggen: het geweld is zo en zo vaak voorgekomen. Maar er is gelukkig veel materiaal. Dossiers, bronnen in de media, verhalen van mensen zelf. Zo kunnen we kennis opbouwen.

Pedagogische onmacht

„Een van de doelen van een groot onderzoek is het achterhalen van mechanismen achter het geweld. Waaróm het heeft plaatsgevonden. Er zijn allerlei veronderstellingen over. Groepsleiders die in instelling te werk werden gesteld in de jaren vijftig, zestig, zeventig, waren vaak zeer laagbetaald. Het was een laaggekwalificeerd beroep, opleidingen zijn pas heel laat ontstaan. Zulke menssen kregen van de overheid dus de verantwoordelijkheid over kinderen met een complex verleden. Kinderen met agressieproblematiek soms. Er was mogelijk sprake van pedagogische onmacht. Groepsleiders namen toevlucht tot geweld en militaristische disciplinering, omdat het zekerheid bood. Velen wisten gewoonweg niet wat ze moesten aanvangen met een kind dat uit zijn dak ging.

„Maar wat is geweld? Toen we als commissie net begonnen, sprak ik Rieke Samson (voorzitter van de commissie die seksueel misbruik in de jeugdzorg onderzocht, red.). Zij zei: jullie opdracht is vele malen ingewikkelder dan die van ons was. Iedereen wist altijd al dat je bij seksueel misbruik over de schreef ging, zei ze. En het is waar, het denken over geweld is diffuser. De definitie verschuift met de tijd. In de jaren vijftig werd ook thuis veel geslagen. Ooit Dik Trom tot je genomen? Zijn vader zei: „Wie zijn kind liefheeft, kastijdt het.” Een pak rammel werd niet gezien als iets slechts. Meer als een teken van liefde.

„Dus ja, de normen waren vroeger anders dan nu. Maar daarmee kun je niet wegpoetsen wat met kinderen is gebeurd. Als commissie vinden wij van belang, ten eerste: wat is er gebeurd? Twee: wat was juridisch geoorloofd in die tijd? En drie, hoe heeft een kind het gebeurde ervaren?