Haatimam moet zich kunnen uiten

Alleen al de stemming over een Kamermotie die haatimams op voorhand wil bestraffen, is een aanslag op de vrijheid van meningsuiting, vinden Jan Brouwer en Jon Schilder.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

De Tweede Kamer stemt vandaag (dinsdag) over een motie van onder meer VVD en CDA waarin de regering wordt verzocht om het mogelijk te maken organisaties en instellingen die haatpredikers uitnodigen en/of een podium bieden te sanctioneren.

Bij haatpredikers denken we als eerste aan imams die haat zaaien tegen ongelovigen, de gewelddadige jihadstrijd verheerlijken en daden van terrorisme bagatelliseren. Aan islamitische voorgangers die zich openlijk antisemiet tonen, zich keren tegen vrouwenrechten en de doodstraf bepleiten voor homoseksuelen. Opvattingen die diep indruisen tegen een bij ons breed geworteld normbesef. Om die reden is het niet verwonderlijk dat er allerhande initiatieven worden ontplooid om de komst van deze imams te dwarsbomen.

Een haatprediker kan echter evenzeer een dominee zijn. Ook die zet soms aan tot haat tegen homoseksuelen. En ook een politicus kan de kwalificatie van haatzaaier ten deel vallen. In 2009 werd een van onze parlementariërs op vliegveld Heathrow de toegang tot Engeland ontzegd. De Engelse regering verklaarde hem tot persona non grata met als argument dat hij een gevaar voor de openbare orde vormde vanwege het aanzetten tot haat.

Niet alleen zal een moskeeorganisatie, maar ook een kerkgenootschap daarom voortaan op zijn hoede moeten zijn bij de selectie van voorgangers. En voor de directie van een zalencentrum zal dit niet anders liggen. Krant, radio en televisie, allemaal zullen ze zich moeten vergewissen van de aanvaardbaarheid van opvattingen aan welke zij een podium bieden. Men moet zelfs vrezen dat gemeenten het risico lopen van een strafrechtelijke vervolging als in een demonstratie of op een door de lokale overheid ter beschikking gesteld plakbord wordt aangezet tot haat.

In de kern betekent een maatregel als voorgesteld in de motie een breuk met de kerngedachte in het grondwettelijk verankerde vrije meningsuitingsartikel: „Niemand heeft voorafgaand verlof nodig voor het openbaren van gedachten en gevoelens”. De motie is een doorbreking van het eeuwenlang gehanteerde censuurverbod, zij het soms indirect via een particuliere organisatie. Kennelijk vinden sommige politici dat niet meer van deze tijd. En dat verbaast niet, want zelfs rechters worstelen met de juiste constitutionele koers. In januari van dit jaar speelde de vraag of de burgemeester van Eindhoven zeven imams een spreekverbod kon opleggen. Zij zouden komen spreken op een islamitische conferentie in de Al Fourqaan moskee. De burgemeester legde hen onder meer een gebiedsverbod op, mede op instigatie van de Nationaal Coördinator Veiligheid en Terrorisme. „Grondrechten gelden niet onbeperkt”, stelde de burgemeester in zijn brief aan de islamitische organisatie Waqf die de predikers uitnodigde. Van de rechtbank Oost-Brabant kreeg de burgemeester het voordeel van de twijfel. Het ging hier om een kort geding en de rechter oordeelde dat deze spoedprocedure niet geschikt is om op fundamentele mensenrechtenkwesties in te gaan. Grondwet en mensenrechtenverdragen bleven daarom even buiten beeld.

Deze keuze is moeilijk te begrijpen. De constitutionele spelregels zijn betrekkelijk eenvoudig. De Raad van State heeft ze recentelijk nog luid en duidelijk geformuleerd. Dat was in de zaak tegen de vergunningverlening voor de Sinterklaasintocht in Amsterdam. De Raad besliste dat de burgemeester nooit bemoeienis kan hebben met de inhoud van een mening, ook al roept een manifestatie alom gevoelens van sterke afkeuring en verontwaardiging op.

Zelfs als bijna zeker is dat iemand een strafbare mening gaat verkondigen, dan nog is preventief ingrijpen uit den boze. Die gedachte vormt steeds het vertrekpunt als het gaat om de vrijheid van meningsuiting, godsdienst, betoging en vergadering.

Blijkbaar is deze basiskennis gewist in het geheugen van de minister van Justitie. Hij voerde de maatregel van de Eindhovense burgemeester onlangs in de Kamer op als schoolvoorbeeld van de mogelijkheden om haatpredikers het zwijgen op te leggen. Een burgemeester kan echter alleen maar preventief ingrijpen als duidelijk is dat er ernstige fysieke ongeregeldheden dreigen. Dat optreden mag echter op geen enkele wijze worden ingegeven door inhoudelijke bezwaren. Het motief mag uitsluitend en alleen zijn gelegen in het streven wanordelijkheden te voorkomen.

Moeten we haatzaaiende, beledigende en discriminerende oproepen dan maar tolereren?

Zeker niet. Wanneer sprekers tijdens een manifestatie van welke aard dan ook opvattingen verkondigen die de wetgever strafbaar heeft gesteld, dan kan de politie ingrijpen, maar dan wel onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie. Als het nodig is, kunnen onmiddellijk strafvorderlijke maatregelen worden ingezet en kan aan de betrokkene zelfs het woord worden ontnomen. De overheid staat derhalve allerminst met lege handen in het geval van haatzaaierij. Maar alleen repressief. De motie die nu voorligt in de Tweede Kamer moet van tafel. Zelfs een stemming erover is een aanslag op de vrijheid van meningsuiting.