Utrecht trekt miljoenen extra uit voor TivoliVredenburg

Het muziekcentrum kampt sinds de opening in juli 2014 met financiële problemen.

TivoliVredenburg Foto ANP

De gemeente Utrecht trekt miljoenen extra uit voor TivoliVredenburg, om een einde te maken aan de financiële problemen waarmee het muziekcentrum sinds de opening in juli 2014 kampt. TivoliVredenburg krijgt structureel 1,8 miljoen euro extra subsidie bovenop de 8 miljoen die het nu jaarlijks krijgt. Daarnaast ontvangt het in de periode 2017-2020 jaarlijks 4 ton extra voor verbetering van de zakelijke prestaties en de programmering. Het muziekcentrum krijgt daarnaast eenmalig 1,1 miljoen euro extra om het weerstandsvermogen, de financiële buffer, te verhogen.

Het college neemt hiermee een vorige week uitgebracht advies over van een commissie onder leiding van de Amsterdamse oud-wethouder Carolien Gehrels. Die raadde aan de ambitie voor TivoliVredenburg hoog te houden, in het belang van de stad.

Exploitatietekort

Het muziekcentrum had sinds de heropening elk jaar een exploitatietekort. Dat kwam deels doordat de kosten van het gebouw hoger uitpakten dan geraamd. De gemeente vulde die tekorten – inmiddels opgelopen tot zo’n 5 miljoen euro – telkens aan.

“We zetten nu een streep onder het verleden”, zegt wethouder Kees Diepeveen (Cultuur, GroenLinks).

“Wij ontlenen aan het rapport-Gehrels het vertrouwen dat het muziekcentrum een goede uitgangspositie heeft. Het heeft sinds de heropening uitstekende prestaties geleverd wat betreft publieksaantallen en programmering. In onze voorjaarsnota kiezen wij voor investeren in de toekomst van de stad. Daar past ook deze investering bij. De maatschappelijke en economische waarde van TivoliVredenburg voor Utrecht is groot.”

De extra subsidie gaat volgens Diepeveen niet ten koste van het budget voor andere culturele instellingen in Utrecht:

“Gelukkig hebben wij als gemeente de komende jaren meer geld te besteden, omdat de stad groeit. Dat brengt extra middelen met zich mee vanuit het Gemeentefonds en ook vanuit de onroerendezaakbelasting.”