De media verzwegen de gebeurtenissen

De aanleiding

De eerste weken van het nieuwe jaar staan opiniestukken en discussies op social media in teken van de vraag: verzwegen media de gebeurtenissen in Keulen? Want waarom was het anders zo lang stil? De Duitse oud-minister van Binnenlandse Zaken Hans-Peter Friedrich spreekt zelfs van een ‘zwijgkartel’. Het leek wel, zegt hij, of er ‘een verbod op berichtgeving’ was.

En, klopt het?

Of redacties moedwillig informatie achterhielden, is niet te controleren. Duidelijk is dat de berichtgeving laat op gang kwam. Pas vijf dagen na de jaarwisseling plaatsen Nederlandse kranten een nieuwsbericht. Of eigenlijk, een berichtje: NRC Handelsblad trekt er die dinsdag 194 woorden voor uit. De Volkskrant 67. Trouw 70.

De Keulse politie is namelijk óók laat. Die meldt aanvankelijk in een persbericht dat de nacht rustig is verlopen. Op maandag 4 januari – als na het weekend de omvang van het aantal aangiften doordringt – geeft de politie alsnog een persconferentie.

Met het aanzwellen van de media-aandacht neemt in de dagen daarna (niet verrassend) ook het aantal aangiften toe. Geen krant die dan nog zwijgt. Maar dan is het ‘zwijgframe’ in de publieke opinie al een feit. De strekking: de media keken dagenlang massaal weg.

Peter Vasterman, als mediahypedeskundige verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, noemt dat een krachtig beeld. „Zo’n beeld wint het in de publieke opinie met gemak van de veel praktischere verklaring: het was weekend, er waren weinig verslaggevers, de feiten waren vaag en de Keulse politie had pas laat de omvang door.”

Behalve die trage reactie, laat de data van LJS Nieuwsmonitor nog iets anders zien: er was uitzonderlijk veel ruimte voor opinie. Van alle artikelen over Keulen is 46 procent opinie. Nieuwsberichten maken een veel kleiner deel uit van de berichtgeving: 28 procent. De rest is ingeruimd voor interviews (4 procent) en achtergrond (22 procent). Wie kortom las over Keulen, las in de helft van de gevallen een opiniestuk.

Peter Vasterman noemt dat een klassiek patroon voor ‘schandalen’ als Keulen. Er zijn weinig, maar explosieve feiten. In zo’n vacuüm is veel ruimte voor framing, voor betekenisgeving. „We wisten lange tijd alleen dit: er is een grote groep mannen die zich heeft misdragen. En juist dát er verder zo weinig bekend is, maakt het zo aantrekkelijk erover te speculeren.” Vasterman wijst op de vertakkingen die het onderwerp kreeg. „Het ging over vluchtelingen, over Merkel, georganiseerde bendes, vrouwen, en ook over de media”. Zie hier de voedingsbodem voor het idee dat er zoiets als een zwijgkartel bestond.

Dat mechanisme zag je ook bij de Bijlmerramp. Er waren witte pakken gesignaleerd, er werd gespeculeerd over een doofpot, maar er is nooit een bewijs voor giftige stoffen gevonden.

Mogelijk speelt bij Keulen nog een derde factor mee: de dalende nieuwsdrempel. Bij zo’n opvallende gebeurtenis als Keulen, wordt al gauw alles nieuws dat raakt aan ‘Keulen’, ‘aanranding’ en ‘allochtoon’. Ook gebeurtenissen die eerder de krant niet haalden. Zo doken er ineens berichten op over een Zweeds festival waarop vorige zomer vrouwen zouden zijn aangerand: ‘Ook Zweden heeft zijn ‘Keulen’’ (Trouw). En in Malmö, ook Zweden, zouden met Oud en Nieuw jonge vrouwen zijn gemolesteerd door „vermoedelijk Afghaanse mannen” (NRC). Die reflex kan hebben bijgedragen aan het idee dat er al die tijd informatie ‘verzwegen’ is.

Conclusie

Dat lezers en columnisten de indruk hadden dat media feiten verzwegen, is niet verrassend. Dat mechanisme zien we bij schandalen vaker. Er zijn bovendien verklaringen genoeg. Nieuwsredacties kwamen traag op gang. Lange tijd waren feiten onbekend. Er was des te meer plek voor opinie en debat. En gebeurtenissen uit het verleden kwamen plotseling aan het licht. Maar vaststellen dát redacties meer wisten dan ze gemeld hebben, dat is onmogelijk. Daarom beoordelen we de stelling ‘Media verzwegen de gebeurtenissen’ als niet te checken.