Commissie: vele aanwijzingen ‘langdurig en ernstig geweld’ in jeugdzorg

Pleegzorg Aanwijzingen voor langdurig geweld en vernedering in pleegzorg afgelopen 70 jaar.

Foto: Roos Koole/ANP

Er zijn vele aanwijzingen dat „langdurig en ernstig geweld” is uitgeoefend op kinderen in jeugdinrichtingen en pleeggezinnen in de afgelopen zeventig jaar. Dat concludeert een onderzoekscommissie voorgezeten door hoogleraar maatschappelijke opvoedingsvraagstukken Micha de Winter in een vandaag verschenen rapport. De commissie-De Winter verrichtte het afgelopen jaar in opdracht van het kabinet een verkenning om te zien of een grootscheeps, tweejarig onderzoek naar geweld in de naoorlogse jeugdzorg zinvol is. Die vraag beantwoordt de commissie met een volmondig ja.

„Ik ben ontzettend geschrokken van wat ik tot dusver ben tegengekomen”, zegt Micha de Winter vandaag tegen NRC. Zusters in de jaren vijftig die verstandelijk gehandicapte kinderen te lijf gingen met ijzeren staven, stellen die hun pleegkinderen tot bloedens toe in elkaar sloegen of die hen zonder betaling te werk stelden op het boerenland. De Winter: „Je krijgt de indruk dat geweld in de decennia na de oorlog aan de orde van de dag was.”

Toezicht op de mishandeling en uitbuiting schoot vaak tekort: instellingen verrichten het toezicht tot diep in de twintigste eeuw vaak zelf. En voogden kwamen, zo ontdekte de commissie, in veel gevallen slechts één keer per jaar bij pleegkinderen langs, voor een gesprek waarbij bovendien de pleegouders ook aanwezig waren. De Winter: „Deze kinderen gingen onbeschermd de kinderbescherming in.”

Zijn commissiewerk volgt op eerder onderzoek naar misstanden in de jeugdzorg. De commissie-Samson rapporteerde in 2012 in opdracht van het kabinet over seksueel misbruik in de jeugdzorg sinds 1945. Een van de conclusies: naast seksueel misbruik verdient gebruik van geweld in internaten en pleegzorg een apart onderzoek.

Onderzoek kan zwarte bladzijde uit geschiedenis zichtbaar maken.

De zevenkoppige commissie-De Winter – pedagogen, psychologen, criminologen – is het afgelopen halfjaar nagegaan of zo’n onderzoek behalve noodzakelijk ook haalbaar is. Ze verrichten literatuuronderzoek, spitten door dossiers van de kinderbescherming en internaten. Relevant archiefmateriaal blijkt rijkelijk aanwezig, maar „is zeer versnipperd, en niet systematisch geordend”, zegt de commissievoorzitter. „We kunnen niet op grond van dit vooronderzoek, en straks ook niet na twee jaar met terugwerkende kracht zeggen: het geweld is zo en zo vaak voorgekomen.” De Winter hoopt op „gegevensopbouw” via het doorploegen van alle archieven en mediabronnen, en via het aanhoren van de verhalen van slachtoffers. De commissie wil daartoe een meldpunt in het leven roepen.

Tweehonderd mensen hebben zich het afgelopen jaar uit eigen beweging bij de commissie gemeld. Van hun verhalen sloeg De Winter steil achterover, zo zegt hij zelf. „Verhalen over vaak langdurig geweld, psychisch en lichamelijk. Van mishandeling tot vernedering.” Volgens De Winter zou een grootschalig onderzoek de mogelijkheid bieden „een zwarte bladzijde uit onze eigen geschiedenis zichtbaar te maken.” De Winter benadrukt dat er ook „positieve elementen” zaten in verhalen van mensen die zich bij de commissie meldden. „Verhalen over toegewijde pleeggezinnen, goede groepsleiders.”

De commissie pleit voor een ruimer onderzoeksgebied dan het kabinet in zijn beginopdracht heeft geformuleerd. Die onderzoeksopdracht beperkt zich tot het lot van kinderen die met tussenkomst van de kinderrechter zijn geplaatst in onder meer de pleegzorg en residentiële jeugdzorg. De commissie wil echter ook de toestand in onder meer doven- en blindeninstituten onderzoeken, en de geestelijke gezondheidszorg voor jongeren. De Winter: „Kijk je vanuit het perspectief van de kinderen, dan maakt het niet uit of je via een kinderrechter of een huisarts in de jeugdzorg belandde.”

Minister Van der Steur (Justitie, VVD) noemt de conclusie van de commissie „schokkend”.

„Het is dan ook goed dat de slachtoffers, dankzij het vervolgonderzoek dat er nu gaat komen, straks de erkenning kunnen krijgen waarop zij recht hebben.”