70-jarige sluit pact met krakers

Wanneer gaat verzameldrift over in verzameldwang? Wanneer is iemand die markten afstruint geen verzamelaar meer, maar een patiënt? Op tv zie je ze soms, de mensen die geen afstand kunnen doen van hun spullen, en hun huis zodanig hebben volgestouwd dat er een minimaal looppad is overgebleven. Over zo’n hoarder, en de bijbehorende psychische complexen, gaat het in Aantekeningen van een hulpweigeraar, het romandebuut van Rogier Vogelenzang. De geschiedenis speelt zich af in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Omdat de 70-jarige zelf steeds aan het woord is, wordt pas geleidelijk duidelijk wat er met hem en zijn woning aan de hand is.

Er is wel terloops sprake van stapels lege melkpakken, muizen en bromvliegen, en van buren die komen klagen, maar voor hoofdpersoon Albert zijn dit onbeduidende randzaken. Wel heeft hij het in zijn aantekeningen vaak over zijn vrouw. Zij is dement en bedlegerig en zwijgt in alle talen. ‘Als Hanni beter is’, zo neemt hij zich voor, gaan ze eens flink opruimen. Af en toe wordt ons een iets scherpere blik gegund in de bovenwoning – als er iemand van de politie of de gemeente aanbelt. Dan is er sprake van stank en schimmel en vuilniszakken die niet buiten worden gezet. De aangeboden hulp wijst hij resoluut af, want hij wil niemand over de vloer.

Albert leeft in terugblikken – op een ongelukkige jeugd, op oorlogsjaren en op een eigenaardig, kinderloos huwelijk. Nergens voelt hij zich veilig, behalve in zijn eigen huis. Des te opmerkelijker is het dat hij zich, op zijn oude dag, toch nog herkent in een groep mensen: de krakers. Die willen net als hij autonoom zijn en verdedigen hun kraakpanden met hand en tand. Het is een leuke vondst van Vogelenzang om zijn bejaarde hoofdpersoon een soort pact te laten sluiten met strijdlustige jongeren. In één moeite door kan hij zijn melancholische roman bovendien flink verlevendigen met de nodige krakersrellen.

Opvallend is de ambtelijke taal waarin Albert zijn slonzige huishouden beschrijft. ‘Onze inventaris was op een natuurlijke wijze om ons heen ontstaan, zoals ook een tuin harmonieus verandert wanneer deze aan de natuur wordt overgelaten.’

Een absoluut meesterwerk is Aantekeningen nog niet. Het verhaal is spannend, maar neigt naar het wijdlopige. Maar de strekking is helder: de grens tussen beschaving en verloedering is dun en er is een griezelig klein verschil tussen een inventaris en een reddeloze puinhoop.