Wie gelooft nog wat de journalist schrijft?

Imago Juist nu media hun oren meer dan ooit laten hangen naar het publiek, worden ze gewantrouwd en geminacht als spreekbuis van de linkse elite. Maar echt schadelijk voor het vertrouwen, zegt NRC-ombudsman Sjoerd de Jong, zijn journalisten die er zelf ook niet meer in geloven.

Illustratie: Anne van Wieren

Elke ochtend krijgen alle redacteuren van NRC per e-mail te horen hoeveel minuten de artikelen uit hun krant – en dus misschien ook hun stuk – online zijn gelezen.

Een verslag door de redactie ‘Lezersdesk’, dat vaak nog ontspannen begint. Het was weer een „drukke” dag geweest, met lezers op nrc.nl. Of juist een „rustige”. Zoals deze: „Het mooie weer zorgde voor een kalm weekend bij NRC.”

Maar dan komen keiharde data: het exacte aantal minuten dat de site werd gelezen. Een top-25 van best gelezen stukken (in leesminuten per stuk); een ‘A/B-test’ (welke kop trok meer lezers). Een top-3 van meest gedeelde stukken op sociale media. Een top-25 van aangeklikte artikelen in de verschillende apps van NRC.

Talloze kranten in binnen- en buitenland doen dit, en de voorhoede doet het nog een stuk fijnmaziger. Meten is weten, tenslotte, en daar kan een bedrijf op een verdringingsmarkt zijn voordeel mee doen. Met één niet onbelangrijke kanttekening: geteld worden hier niet abonnees, een vast publiek, maar alle bezoekers. Iedereen die ook maar één stuk aanklikt, telt al mee in het oeverloze digitale reservoir van „onze lezers”.

Zulk zelfonderzoek past in het datatijdperk. Maar het doet ook denken aan wat de socioloog Willem Schinkel eens „sociale hypochondrie” heeft genoemd. De neiging van een nerveuze samenleving of organisatie om zichzelf permanent te betasten, te onderzoeken, meten, peilen en diagnosticeren. Uit angst voor ziekte en verval.

Tegelijk is ook in Nederland een huisindustrie gegroeid van eveneens zeer eigentijdse mediakritiek, waarin wantrouwen en desillusie de toon zetten. Die huisindustrie komt grosso modo langs twee productielijnen. Allereerst is er sterk ideologisch gedreven kritiek op de mainstream media, als spreekbuizen van een regenteske elite, die elke voeling met ‘het volk’ kwijt zou zijn. Bij elk teken van hun zwakte of falen stijgt gejuich op: eindelijk gaat de Titanic vol Gutmenschen en ‘linksgekkies’ ten onder! En maar goed ook, want het enige wat zij doen is wegkijken, van ‘Keulen’ tot de islam, EU en de maanlanding.

Lees ook De Keulse doofpot - over de kritiek op de media na de aanrandingen tijdens de jaarwisseling in Keulen

Zulke ideologische kritiek is in zekere zin een kind van de ‘kritiese’ jaren zestig, toen de media ook een groot vermogen tot manipulatie of zelfs hersenspoeling werd toegedicht. Er is ook een echo in te herkennen van de afkeer van de „socialen”, de betweterige doctorandussen waar journalist Gerard van Westerloo zich in de jaren tachtig al met vooruitziende blik prepopulistisch tegen afzette, in reportages bij monde van tramchauffeurs of andere ‘gewone’ mensen.

Daarnaast zijn er andere critici, bijvoorbeeld bij het jonge initiatief De Correspondent, die niet de politisering maar juist de verregaande depolitisering, popularisering en commercialisering van de media hekelen. Nieuws is een „fabriek” geworden, heet het daar, het is reclame en lifestyle wat de klok slaat, kortom de media hebben zich uitgeleverd aan de zielloze commercie.

Dubbelloopskritiek en zelfonderzoek

Heen en weer geslingerd tussen die dubbelloopskritiek en een permanent zelfonderzoek naar de eigen toekomst op papier, digitaal of in de ether, proberen traditionele media al ruim een decennium nieuwe relevantie te vinden, telkens manmoedig aangekondigd als ‘innovatie’. NOS-nieuwslezers zijn opgestaan en gaan lopen. Zelfs de Telegraaf, bastion van het gezonde verstand, heeft zichzelf op de schop genomen.

Moet het nog verbazen? De tijd dat media, dankzij torenhoge oplagecijfers en over de kade klotsende advertentiegelden laconiek, zo niet hooghartig konden zijn tegenover de markt – zowel die van lezers als adverteerders – is lang vervlogen. In plaats daarvan worden zij nu koortsachtig verleid en bediend met een breed palet aan diensten, glossy’s en aanbiedingen. Tegelijk is de journalistiek onderhevig aan zware concurrentie, met convergentie als resultaat: landelijke media lijken in toon, nieuwskeuzes en accenten meer op elkaar dan in de hoogtijdagen van maatschappelijke verzuiling of politieke polarisatie.

Zijn ze daarmee per se slechter? Nee, helemaal niet – mediabedrijven barsten van het talent, er wordt gevarieerder geschreven, kranten worden fraai vormgegeven, en je kunt volhouden dat de journalistiek zich elke dag weer bewijst, met kwesties en nieuws van de NZa en Teeven-bonnetjes tot Jeb Bush.

Maar onzeker over hun plaats, rol en toekomst als instituties zijn de media wel degelijk. Geen wonder, ze staan op een sociale en technologische breuklijn: ontzuiling en individualisering (lifestyle en scholing als sociale kenmerken in plaats van kerk, vakbond of partij); de informatie-explosie van het digitale tijdperk, en dan niet alleen voor burgers (iedereen zijn eigen verslaggever, columnist en impresario!) maar ook voor de propaganda en spin van overheden en lobbygroepen die concurreren om de aandacht van de burger en bekwaam inspelen op diens wantrouwen jegens de gevestigde media.

Marxistisch gesproken, zijn dat nog vooral revoluties in de bovenbouw. Maar die hebben een economische basis. Niet alleen de oplagen, ook de eigendom- en productieverhoudingen op de dagbladmarkt zijn de laatste tien jaar ingrijpend veranderd. Redacties, ooit tamelijk anarchistische gemeenschappen, zijn gaan lijken op strak geleide productiehuizen, waar keihard wordt gewerkt, maar zonder de expliciete maatschappelijke binding van ooit. Verbreding – voor elk wat wils – heeft de overhand gekregen. Op de journalistieke arbeidsmarkt zijn vaste banen intussen schaarser dan werken als zzp’er of payroller. Oud-NRC-redacteur Hubert Smeets zette die nieuwe arbeidsverhoudingen al eens kernachtig uiteen in een opstel voor het Wiardi Beckman Stichting Jaarboek over de ‘herproletarisering van de journalist’.

Voeg daarbij de heftige culturele oorlogen die al sinds 2002 in Nederland woeden over integratie, islam, EU, elite, volk en vaderland, en Zwarte Piet, en de belaagde positie van de ‘gevestigde’ media is compleet.

Goedpraters en leugenaars

En dan is dit de paradox. Juist in een tijd dat landelijke media meer dan ooit tasten naar een almaar wijkend publiek, en zich zo breed mogelijk profileren om maar niet eenzijdig of ‘partijdig’ over te komen, liggen ze onder vuur als goedpraters en regelrechte leugenaars die de waarheid ‘verzwijgen’ uit politieke correctheid, paternalisme of gewoon in opdracht – van de EU, het kabinet of Mekka.

Die mediakritiek is inmiddels een instrument van politieke mobilisatie. In Duitsland is het schimpwoord Lügenpresse weer in zwang. Gekaufte Journalisten van Udo Ulfkotte werd een bestseller. In diens kielzog stoomde onlangs Arnold Karskens de Nederlandse boekhandel in met Journalist te koop, een interviewbundel waarin overwegend columnisten hun beklag doen. Ebru Umar is van de partij. Pregnant citaat: de Nederlandse journalistiek is een „grote hoer geworden”, aldus Groene Amsterdammer-hoofdredacteur Xandra Schutte. Die daarmee niet de vermeende linksigheid van de media bedoelt, maar juist hun bleke, apolitieke popularisering.

Hoe denkt u er intussen over?

Journalisten stonden altijd al vrij laag in aanzien – en, wees gerust, dat is nog steeds zo. Watergate gaf ooit status aan het vak, maar nu iedereen ook zijn eigen ‘Woodstein’ is, gelden journalisten in loondienst vaak weer gewoon als ‘journaille’.

Volgens de meeste cijfers is het vertrouwen van Nederlanders in de media dan ook laag, maar de laatste jaren wel stabiel. Volgens het CBS stond het vertrouwen in de pers in 2014 op 31,3 procent, onder dat in de Tweede Kamer (34,6) en in banken (36,6). Uit internationaal onderzoek bleek dat een zoekmachine, Google, de traditionele media heeft ingehaald als betrouwbare nieuwsbron, met name onder jongeren.

Waar stáán de ‘oude’ media nog voor?

Alleen, dat hoeft niet te wijzen op het gelijk van de huisindustrie. Integendeel, een sceptische houding tegenover de media, het gevolg van de grotere toegang van burgers tot informatie en de kans om zelf een partijtje mee te blazen in het nieuwsorkest, is op zichzelf winst – en eigentijdse ‘mediawijsheid’ nog lang niet hetzelfde als de voormalige huisvriend verketteren als een volksvijandige samenzwering.

Die scepsis kan ook wijzen op iets anders, wat de oude media zich kunnen aantrekken. Niet alleen op een toegenomen politieke en maatschappelijke betrokkenheid bij burgers, maar ook op hun onvrede met het ontbreken ervan in de media.

Want als herzuiling onwenselijk is, of een illusie, waar stáán de ‘oude’ media dan maatschappelijk nog voor? Nu elke leesminuut wordt geteld, individuele journalisten losse ‘merken’ worden en ‘ontbundelen’ van journalistiek het devies is?

Idealiter staan ze nog steeds voor objectiviteit – nee, niet als een onmogelijke ‘blik van buiten’ maar als een methode om feiten te waarborgen in een tijd die ideologie en propaganda ademt. Ook dáár is een markt voor.

Maar tegelijk zouden ze kunnen staan voor een weer uitgesprokener en coherent engagement, waarin die feiten ook betekenis en context krijgen. Een visie die een medium dan wel moet durven uitdragen.

Weinig wekt tenslotte zoveel wantrouwen als gebrek aan vertrouwen in je eigen relevantie.