De Keulse doofpot

Berichtgeving Na de aanrandingen rond nieuwjaar in Keulen kregen de media ervan langs. Terecht of niet?

Foto Reuters / Wolfgang Rattay

Waarom staat dit niet op de voorpagina’s? Wij willen gezichten zien! Verdomme, mensen! Waar is de verontwaardiging? Waar is de woede? In de Nieuwjaarsnacht van Keulen werden honderden vrouwen betast, bestolen en sommigen verkracht. Boze columnisten, opiniemakers en lezers riepen in de maanden daarop niet alleen de politie ter verantwoording. Ook de media moesten het ontgelden. Waarom stond dit niet in de krant? Waarom verzwegen ze de afkomst van de daders? Waar waren de slachtoffers?

Op verzoek van NRC analyseerden Nel Ruigrok en Carina Jacobi van LJS Nieuwsmonitor de berichtgeving over Keulen in de vijf grootste Nederlandse kranten (de Volkskrant, De Telegraaf, AD, Trouw en NRC Handelsblad). In de eerste twee maanden van dit jaar (tot 26 februari) verschenen er 340 artikelen waarin de gebeurtenissen in Keulen genoemd werden, in 176 daarvan stond het onderwerp centraal. Waarom kregen de media zoveel kritiek? Een reconstructie in drie verwijten.

1. De media verzwegen de gebeurtenissen

De aanleiding

De eerste weken van het nieuwe jaar staan opiniestukken en discussies op sociale media in teken van de vraag: verzwegen media de gebeurtenissen in Keulen? Want waarom was het anders zo lang stil? De Duitse oud-minister van Binnenlandse Zaken Hans-Peter Friedrich spreekt zelfs van een ‘zwijgkartel’. Het leek wel, zegt hij, of er ‘een verbod op berichtgeving’ was.

En, klopt het?

Of redacties moedwillig informatie achterhielden, is niet te controleren. Duidelijk is dat de berichtgeving laat op gang kwam. Pas vijf dagen na de jaarwisseling plaatsen Nederlandse kranten een nieuwsbericht. Of eigenlijk, een berichtje: NRC Handelsblad trekt er die dinsdag 194 woorden voor uit. De Volkskrant 67. Trouw 70.

De Keulse politie is namelijk óók laat. Die meldt aanvankelijk in een persbericht dat de nacht rustig is verlopen. Op maandag 4 januari – als na het weekend de omvang van het aantal aangiften doordringt – geeft de politie alsnog een persconferentie.

Met het aanzwellen van de media-aandacht neemt in de dagen daarna (niet verrassend) ook het aantal aangiften toe. Geen krant die dan nog zwijgt. Maar dan is het ‘zwijgframe’ in de publieke opinie al een feit. De strekking: de media keken dagenlang massaal weg.

Van alle artikelen over Keulen is 46 procent opinie

Peter Vasterman, als mediahypedeskundige verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, noemt dat een krachtig beeld. „Zo’n beeld wint het in de publieke opinie met gemak van de veel praktischere verklaring: het was weekend, er waren weinig verslaggevers, de feiten waren vaag en de Keulse politie had pas laat de omvang door.”

Behalve die trage reactie, laat de data van LJS Nieuwsmonitor nog iets anders zien: er was uitzonderlijk veel ruimte voor opinie. Van alle artikelen over Keulen is 46 procent opinie. Nieuwsberichten maken een veel kleiner deel uit van de berichtgeving: 28 procent. De rest is ingeruimd voor interviews (4 procent) en achtergrond (22 procent). Wie kortom las over Keulen, las in de helft van de gevallen een opiniestuk.

Peter Vasterman noemt dat een klassiek patroon voor ‘schandalen’ als Keulen. Er zijn weinig, maar explosieve feiten. In zo’n vacuüm is veel ruimte voor framing, voor betekenisgeving. „We wisten lange tijd alleen dit: er is een grote groep mannen die zich heeft misdragen. En juist dát er verder zo weinig bekend is, maakt het zo aantrekkelijk erover te speculeren.” Vasterman wijst op de vertakkingen die het onderwerp kreeg. „Het ging over vluchtelingen, over Merkel, georganiseerde bendes, vrouwen, en ook over de media”. Zie hier de voedingsbodem voor het idee dat er zoiets als een zwijgkartel bestond.

Dat mechanisme zag je ook bij de Bijlmerramp. Er waren witte pakken gesignaleerd, er werd gespeculeerd over een doofpot, maar er is nooit een bewijs voor giftige stoffen gevonden. Mogelijk speelt bij Keulen nog een derde factor mee: de dalende nieuwsdrempel. Bij zo’n opvallende gebeurtenis als Keulen, wordt al gauw alles nieuws dat raakt aan ‘Keulen’, ‘aanranding’ en ‘allochtoon’. Ook gebeurtenissen die eerder de krant niet haalden. Zo doken er ineens berichten op over een Zweeds festival waarop vorige zomer vrouwen zouden zijn aangerand: ‘Ook Zweden heeft zijn ‘Keulen’’ (Trouw). En in Malmö, ook Zweden, zouden met Oud en Nieuw jonge vrouwen zijn gemolesteerd door „vermoedelijk Afghaanse mannen” (NRC). Die reflex kan hebben bijgedragen aan het idee dat er al die tijd informatie ‘verzwegen’ is.

Conclusie

Dat lezers en columnisten de indruk hadden dat media feiten verzwegen, is niet verrassend. Dat mechanisme zien we bij schandalen vaker. Er zijn bovendien verklaringen genoeg. Nieuwsredacties kwamen traag op gang. Lange tijd waren feiten onbekend. Er was des te meer plek voor opinie en debat. En gebeurtenissen uit het verleden kwamen plotseling aan het licht. Maar vaststellen dát redacties meer wisten dan ze gemeld hebben, dat is onmogelijk. Daarom beoordelen we de stelling ‘Media verzwegen de gebeurtenissen’ als niet te checken.

2. Ze hielden de afkomst van de daders voor zich

De aanleiding

Columnist Theodor Holman schrijft op 5 januari in Het Parool dat media in Duitsland en in Nederland ‘huiverig’ zijn de afkomst van daders te vermelden. ‘Want men wil geen vreemdelingenhaat aanwakkeren.’ Velen denken als Holman, zo blijkt. De media bleven ‘politiek correct’, gingen ‘selectief’ om met feiten, ‘manipuleerden de waarheid’, feiten werden ‘genegeerd of weggemoffeld’.

En, klopt het?

Ook voor deze stelling geldt: intenties zijn niet te checken. Of media meer wisten over de afkomst dan ze schreven, of bewust iets anders schreven – dat weten we niet. Echter: op basis van de data krijgen we die indruk niet.

Er is namelijk wel degelijk over afkomst geschreven. Sterker nog: in bijna driekwart van de artikelen die de Nieuwsmonitor bekeek ging het over afkomst (73 procent). In de eerste twee dagen dat de berichtgeving op gang kwam – toen dat verwijt sterk klonk – gold dat zelfs voor vrijwel alle artikelen.

Meest genoemd zijn: Noord-Afrikanen (45 procent van de artikelen), en ook vluchtelingen of asielzoekers (45 procent). Syriërs werden in 13 procent van de artikelen genoemd.

Bij dat benoemen ging het lang niet altijd goed. Op de site van NRC stond aanvankelijk dat de groep daders voor een groot deel uit Syrische asielzoekers bestond. Een bericht op basis van een anonieme agent. Dat schreven ook het Algemeen Dagblad, NU.nl, de Volkskrant, de NOS, De Telegraaf en velen anderen.

Die bewering blijkt niet te kloppen. Van de daders die de politie nu in beeld heeft (130 mannen) komen de meesten uit Marokko (42) en Algerije (39). Uit Syrië komen er 9.

Hetzelfde geldt voor de berichtgeving dat het uitsluitend ging om asielzoekers. Naar nu blijkt geldt dat maar voor een deel van de opgepakte mannen: 59 asielzoekers, 18 illegalen.

Het verwijt dat Syriërs, vluchtelingen of asielzoekers door de media uit de wind werden gehouden, dat geldt dus zeker niet.

Conclusie

In bijna driekwart van alle artikelen over Keulen werd over de afkomst van de daders geschreven. In een aantal gevallen zelfs verkeerd. Van het bewust achterhouden van afkomst kun je dus niet spreken.

Daarom boordelen we de stelling ‘De media wilden de afkomst van de daders niet vermelden’ als onwaar.

3. Ze schreven alleen maar over de daders

De aanleiding

Eind januari interviewt een verslaggever van Het Parool Dilan Yesilgoz, raadslid voor de VVD in Amsterdam. Zij maakte zich eerder die maand al kwaad over de trage reactie van de media en het gebrek aan woede over de aanrandingen. Ze vraagt zich openlijk af of we misschien al gewend zijn aan het feit dat vrouwen dit overkomt. Toen de media eindelijk wakker werden, zegt Yesilgoz, ging het alleen over de afkomst van de daders. „Het leek wel alsof iedereen opgelucht was met de afleiding. Nog een keer: een massale aanranding midden in Europa! Stel dat het op de Dam gebeurt.”

En, klopt het?

Dat klopt grotendeels, althans voor de berichtgeving in de vijf kranten die de Nieuwsmonitor bekeek. In 90 procent van de artikelen ging het over de daders. Veel minder vaak (15 procent) werden de slachtoffers genoemd – daaronder vallen ook de artikelen waarin de woede over het gebrek aan aandacht voor de slachtoffers wordt benoemd.

Hoe het kan dat de berichtgeving zo selectief is? Een nieuwsgolf krijgt vaak één overheersend frame, zegt mediasocioloog Peter Vasterman. En tegen de achtergrond van het vluchtelingendebat zijn daders interessanter dan de slachtoffers, legt hij uit. „Keulen appelleert bovendien aan hele diepe angstgevoelens – het archetypische verhaal: vreemdeling komt vrouw stelen.” Zo was Orléans in Frankrijk in de jaren zestig in de ban van het gerucht dat vrouwen via de kleedkamers van winkels in handen van joden, zouden verdwijnen. Dat gerucht is natuurlijk nooit bevestigd, zegt Vasterman. „Maar dat zo’n gegeven uitgroeit tot een nieuwsgolf komt omdat het teruggrijpt op die onderbewuste angst: de angst voor een ander volk.”

Overigens viel de media-aandacht rondom de foto van het aangespoelde Syrische jongetje Aylan Kurdi een andere kant uit. Vasterman: „Toen zag je ineens een explosie van hulpverleningsverhalen. Het frame was: er is een humanitaire crisis, er moet hulp komen.”

Conclusie

In 90 procent van de artikelen die in de eerste twee maanden in de vijf grootste kranten verschenen ging het over de daders, terwijl de slachtoffers veel minder vaak werden genoemd (15 procent). De stelling: ‘De media schreven alleen over daders’ beoordelen we daarom als grotendeels waar.

Lees ook Wie geloof ’t nog wat de journalist schrijft? - NRC-ombudsman Sjoerd de Jong over het wantrouwen in de media