Waarom bestaat ons museum?

Vier jaar geleden verdween een kwart van de subsidie van Rijksmuseum Twenthe.

Expositie van werk van de Engelse schilder Thomas Gainsborough in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede Foto eric brinkhorst

In het kantoor van Arnoud Odding, schuin tegenover zijn bureau, hangt een affiche uit 1978. ‘Herfsttooi’ staat erop; het is een foto die is gemaakt door Paul Huf. Je ziet bloemen, een oud handschrift, een grote pul bier. Rijksmuseum Twenthe organiseerde in die tijd elk jaar een bloemsierkunsttentoonstelling, altijd in oktober. Het museum stond dan een week lang vol boeketten, er kwamen duizenden bezoekers op af.

Veel inwoners van Enschede herinnerden zich dat nog toen Arnoud Odding in oktober 2012, hij was net directeur van het museum geworden, ‘Herfsttooi 2.0’ organiseerde. Het was wel anders dit keer, nu ging het om een tweedaags festival met activiteiten rond kunst en wetenschap, techniek, filosofie, beeld, geluid. Er werden in hetzelfde weekend vier nieuwe tentoonstellingen geopend.

Er was nog een verschil: het ooit roemruchte museum dreigde de deuren te moeten sluiten. Een paar maanden eerder, 21 mei 2012, had de Raad voor Cultuur de minister geadviseerd de subsidie voor Rijksmuseum Twenthe te halveren. Het museum, stond in het advies, functioneerde onvoldoende op nationaal niveau, werkte te weinig samen met andere musea, was niet genoeg geworteld in de samenleving.

Uiteindelijk werd de subsidie niet gehalveerd, maar een kwart ging er wel af. Gemeente en provincie sprongen bij. Van 38 personeelsleden gingen er 11 weg.

Het is nu vier jaar later. Volgende week donderdag verschijnt opnieuw het vierjaarlijkse advies van de Raad voor Cultuur. Rijksmuseum Twenthe is nog steeds open voor publiek. Steeds meer publiek, om precies te zijn. Kwamen er in 2012 en 2013 zo’n 50.000 bezoekers, in 2014 waren het 80.000, in 2015 ruim 120.000. De eigen inkomsten (entree, museumwinkel, horeca) stegen, van 20 naar 60 procent.

Hoe kan dat? En wat betekent zo’n advies voor een museum?

Arnoud Odding (55): „Wat het advies vooral losmaakte was een gevoel van urgentie: waarom bestaan wij, wat is ons verhaal? Rijksmuseum Twenthe heette ‘museum van oude en moderne kunst’, toen ik hier begon. Maar dat is raar. Het museum is niet van de kunst, het museum is van de mensen. En kunst is het middel om die mensen te laten nadenken over hoe dat wat ze hier zien zich verhoudt tot hun eigen leven. Het is niet: die of die kunstenaar is toe aan een expositie. Het is: het publiek is toe aan deze tentoonstelling, nu en hier. Zo zijn we dus gaan programmeren.”

Publiekstrekkers

Dat andere programmeren begon met ‘Herfsttooi 2.0’, dat net als in de jaren zestig en zeventig werd bezocht door enkele duizenden Twentenaren. Daarna kwamen de echt grote publiekstrekkers: tentoonstellingen over Vlaamse barok uit Antwerpen (Rubens, Van Dyck), over Turner en over Gainsborough. Volgend jaar komt er een tentoonstelling met Renaissance-schilderijen van onder meer Rafaël, Titiaan en Bellini, waar ongetwijfeld weer veel publiek op af gaat komen.

Is het organiseren van dat soort blockbusters wat Arnoud Odding bedoelt met een ‘museum van de mensen’? „Nee, met een museum van de mensen bedoel ik dat het plaats biedt aan de menselijke verbeelding. Een museum hoort een plek te zijn waar je je verbaast, waar je wordt verrast en tot nieuwe inzichten komt. Tegelijk: een tentoonstelling is geen privéhobby. Je organiseert waar behoefte aan is. Of waar je denkt dat behoefte aan is, het is ook fingerspitzengefühl.

In Oddings kantoor zit vandaag ook Helma Hoving (50), sinds augustus vorig jaar interim-directeur van Twentse Welle, een museum over de geschiedenis van de streek, van de oertijd tot de textielindustrie. Geen rijksmuseum, maar wel één waar ook op is bezuinigd, in dit geval door de gemeente. Van de eenentwintig mensen moeten er zes weg. Helma Hoving is bedrijfskundige, ze werkt twee dagen voor het museum en drie dagen aan de universiteit.

Rijksmuseum Twenthe en Twentse Welle bekijken nu of en hoe ze kunnen samenwerken, je zou het het opvolgen van die twee andere aanbevelingen van de Raad voor Cultuur kunnen noemen: meer samenwerking, meer worteling. Moeten we het zo zien? Arnoud Odding: „Elk museum moet wortels in de regio hebben, ook een rijksmuseum. En elk museum hoort op zoek te gaan naar samenwerking, een rijksmuseum vooral ook internationaal. Dus ja. Alleen werden die aanbevelingen laten we zeggen wat ongelukkig geformuleerd.” Helma Hoving: „Ons museum is een fusie van een oudheidkamer, een natuurmuseum en een textielmuseum. Maar als organisatie zijn we klein. En toen moesten we ook nog eens bezuinigen. Dan ligt het voor de hand dat je bekijkt of je kunt samenwerken.”

En inhoudelijk? Helma Hoving: „Wij willen een familiemuseum zijn, waar je komt om iets te doen. Tijdens de Renaissance-tentoonstelling van Rijksmuseum Twenthe, volgend jaar, gaan wij ons richten op Leonardo da Vinci, zijn parachutes, vogels en vliegmachines. Kinderen kunnen dan bij ons een drone besturen, of papieren vliegtuigjes maken.”

Hoe zal het volgende week gaan? In zijn beleidsplan voor de komende vier jaar heeft Arnoud Odding geschreven dat Rijksmuseum Twenthe „de begroting 2017-2020 heeft gebaseerd op een reparatie van de eerder opgelegde subsidiekorting”. Want: met minder mensen is de afgelopen jaren meer gedaan, waardoor minder overbleef voor het beheren van de collectie. „En zoiets kun je je als museum maar een paar jaar veroorloven.”

Heeft hij al wat gehoord over de inhoud van het advies? Nee, dat niet. Komt het goed, denkt hij? Arnoud Odding: „Vier jaar geleden was er heftige polarisatie rond de kunsten. De raad heeft zich toen misschien harder uitgesproken dan in andere periodes.” Anderzijds: „Die polarisatie kan altijd terugkomen. In elk geval wordt ons als musea tegenwoordig gevraagd: waarom bestaan jullie? Dan is het van levensbelang dat je weet wat je verhaal is.”

Dus? „Ik ben te bijgelovig om te zeggen dat het goed komt. Maar ik zie het advies wel rustig tegemoet. Wij hebben alles gedaan wat mogelijk was. Dit museum heeft zich meer dan waargemaakt.”