Verhalen van een verdwenen straat: De Hoogstraat

Reconstructie van de Hoogstraat Bij het bombardement op Rotterdam bleef niets over van de Hoogstraat, een drukke straat met winkels, bioscopen, bedrijven. NRC reconstrueert wie er woonden. Zo’n zestig adressen zijn ingevuld.

De weggebombardeerde Rotterdamse Hoogstraat Dia archief A. Hustinx

De laatste dagen van het normale leven in Rotterdam. De bioscopen op de Hoogstraat vieren Pinksteren met De papsoldaat en Kouwe drukte – alle titels worden vertaald. De winkels zijn tot ’s avonds laat open, op zaterdag wel tot tien uur. En altijd zijn er zoveel mensen dat op de straathoeken bordjes hangen met ‘rechts lopen’.

Op dinsdag 7 mei 1940 brengen de agenten Van Woerkom en Dijkstra om kwart voor één ’s middags twee „beschonkenen” op bij het politiebureau Centrum. De mannen zijn te zat om hun naam te kunnen opgeven, de 23 en 82½ cent die ze bij zich hebben worden ingehouden voor de „transportkosten”. Als ze even na zevenen ontnuchterd worden heengezonden, blijkt de ene Jacobus Fris te heten. Hij woont op Hoogstraat 185. Dat is een pension van drie verdiepingen, vóór en achter, waar meer dan twintig mensen wonen, sommige met kinderen.

Jacobus Fris is gescheiden in 1930, zijn dochters wonen bij zijn vrouw, hij is in 1933 zonder vaste woon- en verblijfplaats, op zijn gezinskaart in het stadsarchief zijn achtereenvolgens de beroepen fabrieksarbeider, bootwerker, kistenmaker doorgehaald en ten slotte staat er nog „los werkman”. Maar ook een stempel met de afkorting MH, maatschappelijk hulpbetoon – hij is een steuntrekker.

Jacobus Fris is een van de honderden bewoners van de Hoogstraat van wie we het afgelopen jaar sporen terugvonden. Dit was het idee: we laten de straat herrijzen in haar volle glorie van voor het bombardement, dat de stad als een natuurramp tekende. Achthonderd doden vielen er, de binnenstad was totaal verwoest. Wij zochten naar het gewone leven van voor 14 mei 1940, half twee ’s middags.

Uitgaande van de sluitende administratie van de gemeentelijke diensten – waar de bezetter Nederland dankbaar voor zou zijn – vonden we bewoners, ondernemers, winkeliers, personeel terug. Sommigen konden we zelf nog spreken, van anderen vonden we familieleden. Het is, niet verrassend, veel lastiger de Van Dams, Van Driels en Van Dijken terug te vinden, die driehoog achter woonden, de bootwerkers, de kooplui in ongeregelde goederen, de pakhuisknechten, dan de winkeliers.

Wat opviel in de gesprekken met ooggetuigen, is de onweerstaanbare aantrekkingskracht van het bombardement voor hun geheugen. Soms weten ze de naam van hun lagere school niet meer, maar wel dat hun zolen schroeiden op de rokende puinhopen van de binnenstad. Toch kwamen er herinneringen aan winkels, lunchrooms, de tandarts, buren, de vaders en moeders die er niet meer zijn.

Onvoorstelbare bedrijvigheid

Wat zagen wij uit dat gewone leven van voor de oorlog? Dat je nog vaders had die Nicolaas Johannes heetten en hun eerste zoon dan Nicolaas Johannes en de tweede Johannes Nicolaas noemden.

Hoeveel katholieken er woonden, hoeveel Joden – sommige ‘inheems’, sommige geëmigreerd uit Duitsland. En hoeveel van de katholieken na de oorlog nog leefden en hoe weinig van de Joden.

De hoeveelheid verhuizingen, soms zeventien in dertien jaar tijd. Is het armoe?

We zagen de stad opveren na de crisisjaren. We zagen het aan de advertenties die winkels in de kranten plaatsten. We zagen het aan bij de gemeente ingediende nieuwbouwplannen.

De onvoorstelbare bedrijvigheid. Een ziekenhuisverpleger die in hout gaat handelen, dan in specerijen en ten slotte in petroleum. Je ziet mensen afdalen zoals Jacob Fris, je ziet anderen opklimmen van handelaar in ongeregelde goederen, naar kantoorbediende, naar bioscoopdirecteur.

De vrouw van een kapper die opmerkt hoe het scheerschuim dat haar man van de baarden schraapt, op het overhemd van klanten valt. Zij besluit in de zaak losse papieren boordjes te gaan verkopen en dan ook overhemden en stropdassen. Stapje voor stapje wordt de kapperszaak kleiner en de klerenhandel groter, tot de man in de keuken staat te knippen en zijn vrouw het bordje ‘Joh. Dollée Kleeding’ aan de gevel hangt.

We zagen de jongens van Wuisman, die met een verrekijker de gasten van het C&A-terras begluren. De jongens van Van Soest, die dagelijks oversteken naar de Dominicuskerk om misdienaar te zijn voor ze naar school gaan. Henk Vreeswijk die van zijn vader een hoed moet kopen. Zestien jaar is-ie en hij schaamt zich zo, dat hij het hoofddeksel onder zijn jas steekt als hij de hoek om is.

Al die mensen hebben een naam, een gezicht en een geschiedenis hervonden op de Hoogstraat. De straat nummert tot 400, maar in werkelijkheid waren er veel minder adressen. Huizen waren gesloopt, de bioscopen, de tabaksfabriek van Dobbelman, winkels als Hollenkamp, Vroom & Dreesmann, Wisbrun en Lifmann, maakten zich breed en slokten huizen op.

Van die paar honderd adressen hebben we het afgelopen jaar zo’n 65 van een geschiedenis kunnen voorzien. In de krant sluiten we het project hierbij af. Maar op www.nrc.nl/hoogstraat blijft het leven en aangroeien. En zolang blijven tips en bijdragen welkom: hoogstraat@nrc.nl.