Undercoverjournalistiek moet een laatste middel zijn

Hij verfde zijn baard, stak zich in zeemanskleren en leerde zichzelf een „volks accent’” aan. En toen was NRC-redacteur M.J. Brusse er helemaal klaar voor. Hij dook onder in de haven van Rotterdam, op zoek naar sociaal onrecht en misstanden. Noest speurwerk conform zijn journalistieke adagium „de tong uit je mond, het vuur uit je sloffen lopen”.

Dat was in 1898. Zijn actie leverde een reeks geruchtmakende artikelen op in de Nieuwe Rotterdamsche Courant over de povere levensomstandigheden van havenarbeiders en zeelieden – en zo werd Brusse (1873-1941) een van de eerste Nederlandse undercover journalisten en „misschien wel de meest tot de verbeelding sprekende, speurende verslaggever van zijn generatie” (Huub Wijfjes, Journalistiek in Nederland, 1850-2000).

De herinnering aan Brusse werd deze week weer gewekt, via familie, door twee lezenswaardige stukken van verslaggever Andreas Kouwenhoven over undercoverjournalistiek. Hij schreef, terecht, dat NRC Handelsblad „uiterst terughoudend’’ is met zulke journalistiek, en dat „oudere redacteuren’’ zich eigenlijk maar één voorbeeld herinnerden, een verslag van een datingcursus, zo’n twintig jaar geleden. (Journalisten gingen in 1887 al undercover, 10 mei).

Maar er was dus ook M.J. Brusse, al bestond de fusiekrant toen nog lang niet.

O ja, en inmiddels herinneren ook die oudere redacteuren zich nog wel meer.

Zo trokken in 1987, een eeuw na Brusse, twee verslaggevers erop uit om na te gaan of Belgische en Duitse banken spaargeld zouden accepteren zonder het op te geven aan de Nederlandse belastingen – een praktijk waar toenmalig minister van Financiën Ruding een einde aan wilde maken. Ze maakten zich niet bekend als journalist, en wat bleek: sparen buiten medeweten van Ruding om was over de grens geen enkel probleem („Kein Problem”).

Het leverde een stevige reportage op (‘Ruding krijgt geen greep op spaargeld over de grens’, 3 april 1987) – en een even stevige reprimande van de hoofdredacteur, die niet op de hoogte was. Hij keurde de praktijk categorisch af want dit was ‘niet des NRC’s’. NRC-redacteuren werken met open vizier. Er volgde een oekaze om herhaling te voorkomen.

Of dat in dit geval helemaal terecht was, daar kun je – 29 jaar te laat – over twisten. Nee, de auteurs zeiden niet dat ze journalisten waren, maar vragen aan een bank stellen over de dienstverlening staat iedereen vrij. Culinaire journalisten en reisjournalisten stellen zich vaak ook niet voor, om voorkeursbehandeling te voorkomen. Anderzijds, de ethische regel dat journalisten met open vizier werken, moet je niet te grabbel gooien – en deze verslaggevers citeerden bankmedewerkers die niet wisten dat ze in de krant terecht zouden komen.

Journalistieke handboeken en codes wijzen er steevast op dat ‘undercover gaan’ een allerlaatste middel moet zijn: er dient het concrete vermoeden te bestaan van een reële misstand, met een groot maatschappelijk belang, die niet op normale journalistieke manier blijkt te kunnen worden aangepakt.

Maar het is wel nuttig te bepalen wat er precies onder wordt verstaan. Werkt een verslaggever die, na een gerucht, gaat kijken of in een bepaalde supermarkt alcohol wordt verkocht aan 12-jarigen, en die zich aan de kassa niet bekendmaakt, al undercover? Ik zou zeggen: nee, die ziet en doet niet anders dan wat andere klanten daar kunnen zien en doen. Een vrachtwagen huren, je voordoen als bierleverancier, en dán die supermarkt vragen of en hoeveel ze aan minderjarigen verkopen – ja, dat is undercover, en wie weet uitlokking.

De zogenaamde spaarders-over-de-grens uit 1987 waren in die zin ook niet echt undercover: ze namen geen valse identiteit of functie aan, droegen geen aangeplakte baarden, verdraaiden hun stem niet en gebruikten hun echte naam - althans, voor zover een van hen het zich bijna dertig jaar later herinnert.

Kouwenhoven schreef zijn stuk naar aanleiding van het opzienbarende boek Ik was een van hen van Maarten Zeegers, waarin deze antropoloog-journalist zijn ervaringen optekent als bekeerling onder orthodoxe moslims in Den Haag. Dat boek werd volop geprezen (,,Dit is het echte werk’’, aldus Joris Luyendijk), maar in opiniestukken ook fel bekritiseerd als een ,,onethische en onnodige’’ infiltratie, die moslims stigmatiseert als exotica.

Over Zeegers boek kan ik me geen oordeel aanmatigen – schrijvers moeten in het algemeen ook vooral hun eigen regels volgen – maar het stuk van Kouwenhoven roept wel tal van interessante ambachtelijke vragen op. Wat critici van Zeegers vergeten, schrijft hij, is hoe wantrouwig en moeilijk toegankelijk de ,,moslimgemeenschap’’ is voor journalisten. (Wat doe je hier? Ben je moslim?, 10 mei).

Nu lijkt die ,,enorme achterdocht’’ onder moslims jegens de media me niet zo heel gek, gezien het gepolariseerde islamdebat in Nederland. Maar op zichzelf is het ook niet genoeg rechtvaardiging. Zelden zal media-argwaan dieper zijn geweest dan in het Witte Huis van Richard M. Nixon. Dus ja, Bob Woodward en Carl Bernstein hadden ook een Republikeinse stropdas kunnen omdoen, hun haar in een borstelige Haldeman-coup laten knippen, en zich als vrijwilligers kunnen melden bij Nixons campagneteam. Toch ben ik blij dat ze dat niet gedaan hebben.

In het geval van Zeegers ging het overigens niet om een concrete misstand, maar eerder om de indringende schets van een veelbesproken maar onbekend milieu: wat wordt daar nu écht gezegd? Dan ligt de lat nóg hoger om het eerst anders te proberen – wat Zeegers zelf ook deed. Overigens, hij gebruikte ook toen hij zich als bekeerling ging voordoen zijn eigen naam en was via Google eenvoudig te traceren. Compleet undercover was ook hij dus niet.

Maar er speelt nog iets. Zeegers en ook de ervaren undercover-journaliste Stella Braam die Kouwenhoven noemt, zijn freelance journalisten die werken voor een verhaal of boek (hoewel Zeegers ook verslag deed voor de Volkskrant). En schrijvers van een boek, undercover of niet, slaan toe en zijn dan vaak vertrokken. Vertrouwen beschaamd? Jammer.

Dat ligt anders voor verslaggevers bij een krant of ander medium die een onderwerp door de jaren heen volgen. Voor hen is het cruciaal om juist met open vizier het vertrouwen van bronnen te winnen. Niet als in: ‘we vertrouwen erop dat je opschrijft wat wij willen’, maar in de zin van ‘we weten wat we aan je hebben, al vinden we het niet altijd leuk wat je schrijft’.

Dat zo’n aanpak in de handen van vakmensen resultaat kan opleveren, is bijvoorbeeld bewezen door de onthullende berichtgeving, met name in deze krant, over de PVV, óok lang een hermetisch bolwerk, waar vanuit één schuttersputje, dat van de leider, boodschappen werden gezonden.

Het belangrijkste blijft in mijn ogen, in het algemeen dit: journalisten moeten het zichzelf niet te makkelijk willen maken. Echt undercover werk (dat in de praktijk ook allesbehalve een makkie is, zoals het werk van Braam en anderen laat zien), moet een spaarzaam, laatste middel blijven.

En er zijn trouwens ook andere voorbeelden. Hunter Thompson schreef ooit, met geheel open vizier, een onthullend boek over de Hell’s Angels, die hem in hun midden opnamen. Het punt is, hij kon zelf makkelijk doorgaan voor een Hell’s Angel. En dat zou wel eens een probleem kunnen zijn voor de mainstream media, waar veelal hetzelfde soort journalisten werkt: goed opgeleid, blank, middenklasse. Dan worden andere milieus al snel heel exotisch.

Overigens, toen Thompsons boek een succes werd maar hij weigerde zijn royalty’s te delen met de Angels, schopten ze hem het ziekenhuis in.

Maar het was wel een goed boek geworden.