Als bewijs op tafel komt, is herijking van antidopingbeleid noodzakelijk

Het huidige antidopingbeleid roept meer en meer vragen op. Dopingpsycholoog Bram Brouwer trekt die conclusie (nog) niet (9/5). Wel legt hij uit dat de minieme kans op een vals-positieve uitslag in een afzonderlijke test niet verhindert dat onschuldige sporters zogenaamd op doping worden betrapt, wanneer zij maar voortdurend worden getest. Zo’n manco in de statistische bewijsbaarheid is moeilijk te verteren, juist waar de sanctie vaak een Berufsverbot is. Een ander zorgelijk aspect waaraan de dopingautoriteiten gemakshalve voorbijgaan, is de (klinisch-)farmacologische onderbouwing van de prestatiebevorderende eigenschappen van op de verbodslijst geplaatste dopingmiddelen. Feit is dat van veel middelen het wetenschappelijk bewijs ontbreekt, of het nu epo is of meldonium. Voordat een geneesmiddel tot de markt wordt toegelaten, moet de werkzaamheid worden aangetoond met onderzoeken die de stand van wetenschap weerspiegelen. Dat blijkt vaak een moeilijke of onmogelijke opgave, temeer daar placebo-effecten het beeld vertroebelen. Bij dopingmiddelen speelt dat kennelijk niet, de dopingjagers hoor je er in ieder geval niet over. In wetenschappelijke kring bestaat echter twijfel. Onderzoek van prof. A. Cohen naar de mogelijke onwerkzaamheid van epo als dopingmiddel moet duidelijkheid scheppen. Mocht het bewijs op tafel komen, dan is herijking van het antidopingbeleid op alle fronten onvermijdelijk.