Schatgraven in troebel water

Onderwaterarcheologie Jutten doen ze bij Texel ook in de scheepswrakken, waar amateurduikers onlangs een 17de-eeuwse japon ontdekten. Nu gaan deze avontuurlijke duikers samenwerken met de archeologen van het rijk.

Foto duikclub Texel

Op de kop van de haven van Oudeschild staat het clubhuis van de duikclub Texel. Het bevat veel vitrinekasten en planken. Daar liggen aardewerken kruiken, glaswerk, kogeltjes, houten katrollen en andere dingen. Het zijn voorwerpen die de duikers naar boven hebben gehaald uit historische schepen die zijn vergaan op de Rede van Texel. „Onderwaterarcheologie doe je hier in de Waddenzee, niet in een kantoor in Amersfoort”, zegt Gerrit Jan Betsema. In het dagelijks leven is Betsema timmerman, maar nu treedt hij op als persvoorlichter van de duikgroep. De Texelse amateurduikers werden onlangs ineens landelijk bekend met de opzienbarende vondst van een intacte zeventiende-eeuwse japon. Gevonden in een schip dat ooit verging op de Waddenzee.

Met die tegenstelling tussen werken op zee en werken achter het bureau benoemt Betsema direct het kernprobleem van de Nederlandse onderwaterarcheologie. Want er is in Nederland maar een handjevol professionele onderwaterarcheologen. Ze werken bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in Amersfoort en ze kunnen maar een maand per jaar duiken. Veel te weinig om alle wrakken van historische schepen in Nederlandse wateren te onderzoeken of zelfs maar in de gaten te houden. Daarnaast is er een grote groep sportduikers en vrijwilligers in de archeologie die graag naar historische wrakken duikt en ieder weekeinde in het water ligt. Maar zij mogen officieel maar heel weinig met die wrakken en hun inhoud doen. De amateurduikers voelen zich door de Rijksdienst tekort gedaan en vooral: niet serieus genomen.

De zeventiende-eeuwse japon kan misschien nu symbool worden van een toenadering en een betere samenwerking tussen die amateurs en de professionals. In het clubhuis toont Betsema een brochure met een lange titel: Protocol onderwaterarcheologie Texel. Behoud van archeologische vindplaatsen rond Texel: omgang met vrijspoelende scheepswrakken en hun lading. Simpel gezegd gaat het om een proef van een jaar waarbij de duikclub Texel historische wrakken lokaliseert en in de gaten houdt. En zo nodig rapporteert aan de gemeente, de provincie en de Rijksdienst.

Waddenzee nu helderder

Foto duikclub Texel

Deksel van een bokaal met verguld zilver, met daarop een Romeinse soldaat. Foto duikclub Texel

Het is een begin, want er bestaat aan twee kanten nog altijd veel wantrouwen. Bij de Rijksdienst hebben de Texelse duikers een beetje de reputatie van cowboys en rovers. Betsema geeft het toe: „Vroeger waren we echt rapers. Als een potje niet heel was, gooiden we het zo weg.”

Dertig jaar geleden zette zijn oudere broer Jack hem voor het eerst overboord ‘op een wrakkie’, vertelt de 57-jarige Betsema. Het water was toen zo troebel dat hij zijn eigen hand niet kon zien. „De laatste tien jaar is de Waddenzee helderder en heb je vijftig centimeter tot een meter zicht.” Het eerste schip waarop hij dook was wat zij vanwege de lading het ‘Leerwrak’ noemen. „Het enige dat we er verder van weten is dat er een loden stempel in zat met het jaartal 1732.”

Intussen heeft de duikclub bij elkaar tien wrakken gelokaliseerd, weet Betsema. „Hoe dat in zijn werk gaat? We krijgen een positie door van een Texelse garnalenvisser die ergens met zijn netten op de bodem is blijven hangen.” Vervolgens gaan ze met hun schip, de RP42 (een voormalig Rijkspolitieschip) naar de opgeheven locatie. Altijd bij de wisseling van tij, want dan is er geen sterke stroming. Met sonar zoeken ze de bodem af, en als ze de exacte plek hebben gevonden werpen ze het anker uit. „Daarna maken we een zoekslag.” Dat wil zeggen: ze binden een touw van tien meter aan het anker vast en zoeken in een rondje de bodem af – vaak op de tast. De gevonden wrakken krijgen allemaal een sprekende naam, zoals het ‘Piskruikenwrak’, het ‘Flessenwrak’ en ‘het ‘Twee Kanonnenwrak’. Het wrak waaruit de japon komt heet het ‘Palmhoutwrak’. „Want er zitten zeker honderd stammetjes palmhout in.” Palmhout is buxushout.

Logboek

In de loop der jaren zijn de Texelse duikers steeds serieuzer geworden in hun omgang met wrakken en gevonden ladingen. Ze nemen nu bijvoorbeeld ook losse scherven mee naar boven, omdat ze geleerd hebben dat die tezamen een heel potje kunnen opleveren. En nog steeds zijn de Texelse duikers geen ‘schrijvers’ of ‘ambtenaren’, maar de acht actiefste leden van de duikclub leggen de laatste jaren wel de wrakken, hun duiken en vondsten vast in een logboek. Sommigen duiken met een camera op een helm om zo veel mogelijk te filmen wat er onderwater ligt. En al jaren dragen ze hun belangrijkste vondsten over aan Kaap Skil, het museum van jutters en zeelui op Texel. „Als het thuis op de schouw staat, is het alleen leuk voor de visite, maar in het museum heeft iedereen er wat aan.” Probleem is dat over de meeste vondsten niet meer bekend is dan wat het is: aardewerk, een kanon, leer, een fles, een anker.

Gebied van de wrakken

Daarom probeert tandarts Carl van Dijk, vastelander maar al 25 jaar lid van de Texelse club, meer informatie uit de vondsten en wrakken te halen. Hij betaalt uit eigen zak onderzoek van houtmonsters om een wrak te kunnen dateren, laat botanische resten determineren en bekwaamt zich in archeologisch onderwateronderzoek door certificaten van de Nautical Archaeology Society te halen.

Steigergaas kapot

Ook hebben ze meer dan eens contact gezocht met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In 2009 bijvoorbeeld, toen ze het Palmhoutwrak hadden ontdekt en een onderdeel van een rolpaard van een kanon hadden gevonden. Betsema: „Dat hebben we als het ware nog nat meegenomen naar de RCE, maar daar kregen we weinig tot geen reactie op. Uiteindelijk hebben ze pas in 2014 een verkenning gedaan; twee weken ervoor hadden wij al de japon gevonden, maar daarover hebben we toen niks gezegd.”

Die zwijgzaamheid was het gevolg van het idee dat ze er bij de RCE toch niets mee zouden doen. Eerder hadden de Texelaars al meer dan eens melding gemaakt dat in het gebied Burgzand Noord, het centrum van de Rede van Texel waar in de Gouden Eeuw de grote zeeschepen voor anker lagen, enkele wrakken bloot spoelden. „Het gebied is een rijksmonument. Wij constateerden dat bij drie van de vijf wrakken die de RCE als bescherming had afgedekt het gebruikte steigergaas kapot was. Pas drie jaar later kwamen ze kijken.” In de tussentijd zagen ze een scheepswand instorten. Wie weet wat voor vernietigend werk de paalworm en de sterke stroming verder hebben gedaan.

De Texelse duikers zijn niet de enigen die klagen. Vorig jaar bleek uit onderzoek in opdracht van de RCE dat de meerderheid van de ongeveer tweehonderd sportduikers en amateurarcheologen die naar wrakken duiken de rijksdienst ‘bureaucratisch’, ‘arrogant’ en een ‘ivoren toren’ noemt, waar snel met een beschuldigend vingertje naar duikers wordt gewezen.

Vroeger waren we echt rapers. Als een potje niet heel was, gooiden we het zo weg

Gerrit Jan Betsema, amateurduiker

„We moeten voor een deel inderdaad de hand in eigen boezem steken”, reageert Martijn Manders, maritiem archeoloog bij de RCE. Maar de amateurs moeten volgens hem ook begrijpen dat er veel regels zijn die samenwerking lastig maken. Een voorbeeld: „Als wij meeduiken, stelt de Arbeidsinspectie voor amateurs of studenten een professionele duikkeuring van 1.000 euro verplicht. En de nieuwe Erfgoedwet verbiedt het zomaar verwijderen van vrijgespoelde voorwerpen uit een wrak of om die zelfs te verplaatsen.” Vandaar dat hij nu in Den Haag praat over vrijstellingen en blij is met de proef met de Texelse duikers. „Een hele mooie kans.”

Zo denken de duikers er ook over. „Het is een goedkope oplossing. Wij duiken toch wel.”

Bij Texel halen amateurduikers schatten uit de scheepswrakken. Vroeger deden ze dat nogal ruw, nu houden ze als archeologen logboeken bij.