Column

Op komst: nieuwe feitenvrijheid en identiteitspolitiek in Den Haag

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: regeren in tijden van Erdogan en Ebru.

Ofwel: hoe een nieuw tijdperk van identiteitspolitiek en feitenvrijheid begint.

Amerikanen hebben er een term voor: that non winning feeling. Het gevoel dat je machteloos moet toezien dat alles waaraan je hecht, alles waarvoor je zo hard gewerkt hebt, sluipenderwijs van je afgenomen wordt.

Het is, merkte ik deze week, bij vlagen de mentale gesteldheid van Haagse politici en hoge ambtenaren die het vluchtelingenakkoord met Turkije in portefeuille hebben.

Vooral door de premier, die elk aspect van de deal op de voet volgt, staat iedereen op scherp. Het mag niet mislukken.

Voorlopig is het politieke resultaat goed. Het aantal vluchtelingen daalde drastisch sinds het akkoord er in maart kwam. De hoop is dat de coalitie, en vooral de VVD, electoraal opleeft als dit tot in verkiezingsjaar 2017 standhoudt.

Had je wat, Wilders?

Maar het verdere welslagen is in Turkse en Europese handen – Nederland moet toekijken. En het gedrag van Turkse politici noopt telkens tot nieuwe scepsis en, vooral, vrees.

De Duitse komiek, de Nederlands-Turkse journaliste, de schendingen van persvrijheid en mensenrechten. De afgezette Turkse premier, de retoriek van Erdogan. De ruzie, deze week, over het visumvrij reizen. De dreigementen in Erdogans kring desnoods het hele akkoord op te blazen. De vrees dat dan deze zomer opnieuw honderdduizenden vluchtelingen de EU inreizen.

Dus er zijn dagen dat ze in Den Haag denken dat dit óók kan eindigen in een grote kladderadatsch.

Als je alles rationeel bekijkt, vertelde een direct betrokkene me, is het in het wederzijds belang van de EU en Turkije dat dit slaagt.

Maar wie zich realiseert dat het lot van Europese leiders als Rutte en Merkel in handen is van een wispelturige Turkse demagoog, weet ook dat het kan eindigen in „één grote nachtmerrie”, zei de betrokkene.

En dat in een periode waarin, anticiperend op de Kamerverkiezingen van maart volgend jaar, alles zal draaien om identiteitspolitiek. Om wie je bent, in plaats van wat je hebt.

Om nationalisme, EU-scepsis en andere culturele behoudzucht. Om Hollandse zelfverheerlijking en afkeer van het vreemde.

Voorbij is het grote hervormen. De verkiezingsprogramma’s zijn in de maak – dit is de periode waarin conceptteksten rondgaan – en partijen denken uiteraard na over nieuw beleid voor belastingen, pensioenen en zzp’ers.

Maar grote ingrepen in het zorgstelsel, de uitkeringen, de AOW-leeftijd of de hypotheekrenteaftrek circuleren, zover ik kan nagaan, in geen van de partijen.

De verzorgingsstaat blijft, met andere woorden, globaal in tact. Dus het mogen cultureel-conservatieve tijden zijn, verheerlijking van Volendam en afkeer van Ankara, maar dit speelt zich af in de context van een defensieve visie op de economie: links heeft het debat over de verzorgingsstaat in feite gewonnen.

Tegelijk is identiteitspolitiek, zoals bekend, voor traditionele linkse partijen hoogst aantrekkelijk. Kiezers van PvdA en SP zijn diep verdeeld over zaken als immigratie en islam, dus discussie resulteert altijd in verlies. De ware crisis van links.

GroenLinks speculeert er met Klaver op dat hij volgend jaar, mede dankzij zijn mediagenieke levensverhaal, het linkse alternatief voor Rutte en/of Wilders wordt.

In de strijd om de grootste partij incasseert hij dan de strategische linkse kiezers die normaal PvdA stemmen. Vandaar zijn onnatuurlijke uithaal, laatst, naar „de elite”.

Het is vroeg. En ook voor hem ligt hiermee het risico van identiteitspolitiek op tafel: elke linkse partij die groeit door zowel hoog- als laagopgeleiden aan te trekken, komt te zitten met een verdeeld electoraat inzake immigratie, islam en EU.

Het laat zien dat traditioneel links er, gezien de identiteitspolitieke verleiding, zelden eerder zo zwak voorstond. De SP gaat door met Roemer, de grote verliezer van 2012. In de PvdA-fractie tellen ze hun knopen al: talrijke Kamerleden, zoals Sjoera Dikkers en Tanja Jadnanansing (in 2012 nog vierde op de lijst) hebben intern laten ze weten dat ze niet terugkeren.

Intussen moet het coalitiewerk door. Het vooruitzicht van verkiezingen binnen een jaar maakt samenwerking nooit eenvoudiger.

Vóór 1 juni moet er een Voorjaarsnota liggen, met keuzes inzake claims van Veiligheid en Justitie (meer geld), Defensie (idem) en langdurige zorg (idem).

Op Defensie kon je de laatste weken al optekenen dat ze geen enorme extra budgetten meer voorzien. Op Volksgezondheid merken ze, ook tekenend voor een laatste coalitiejaar, dat minister Schippers (VVD) en staatssecretaris Van Rijn (PvdA) de onderlinge spanningen amper nog verbergen.

Deze maand komt ook nog het rapport over de tweede commissie-Oosting over de Teevendeal – ik noemde hier eerder wat conceptbevindingen. Niet zeer beschadigend voor Van der Steur, maar ook niet schadevrij.

De keuze ligt hier bij de VVD. Als ik het goed zie zijn er genoeg oppositiepartijen die liever met een verzwakte Van der Steur doorgaan dan zijn vervanging af te dwingen. Enig cynisme speelt hier zeker een rol.

Verkiezingen nodigen zelden uit tot intellectuele integriteit, en in één opzicht belooft het in 2017 ronduit deprimerend te worden. Verreweg de meeste partijen willen hun plannen niet meer laten doorrekenen door het Centraal Planbureau.

Het heeft er ook mee te maken, vrees ik, dat het CPB zich amper in het politieke debat mengt, en zich beperkt tot het aanleveren van economische data.

In elk geval zou alarm hier op zijn plaats zijn. Als straks bijna geen partij zijn program nog laat doorrekenen, belandt de politiek definitief in de feitenvrije fase: politici kunnen alles beloven – ze hoeven toch niet aan te tonen hoe ze het betalen. Wat als visie heet, zal in veel gevallen op fictie berusten: tel uit je winst.

Alles overziend staat traditioneel links er zo zwak voor dat de strijd om de grootste volgend jaar ook tussen Wilders en Rutte kan gaan. Het zou me zelfs niet verbazen als dit straks de voorkeur van de VVD heeft.

In dat geval kan lijsttrekker Rutte strategische stemmen bij CDA, D66, PvdA en zelfs GroenLinks losweken, wat hem, als zittend premier, kansen op de beste VVD-uitslag ooit biedt.

Alles natuurlijk in de veronderstelling dat het non winning feeling inzake het Turkse vluchtelingenakkoord onterecht blijkt. Hierbij speelt, los van de Turkse opstelling, ook de positionering van de Nederlandse oppositie een rol.

De keuze in die kringen om de moraliteit van zakendoen met Erdogan ter discussie te stellen is wonderlijk als je weet met hoeveel foute regimes het land politieke en economische banden heeft.

Nog los van de jarenlang geuite wens, door alle partijen, van opvang in de regio: een wens waarbij ze er vanuit gingen dat er zaken met verkeerde regimes gedaan konden worden.

Evengoed is het dilemma van zakendoen met Erdogan een schitterend onderliggend verkiezingsthema.

Wat wil het land met al die identiteitspolitieke dilemma’s: zakendoen met een boef, in een poging iets te bereiken? Of verre blijven van de boef, en dan maar niets bereiken?

Een zelfde dilemma lag al onder de benadering van de zaak-Ebru Umar. Een fiks deel van de publieke opinie bepleitte vanaf dag één openbare confrontatie met Erdogan. De keuze voor (relatief) stille diplomatie heette een knieval voor het geboefte te zijn.

Wat dit betreft leverde de zaak-Umar uiteindelijk nuttige inzichten op. Hoe aantrekkelijk het ook leek alle identiteitspolitieke tegenstellingen openlijk op te lieren, ten slotte leerde deze week dat het oude handwerk van de diplomatie, het stille contact tussen regeringen, nog steeds een prima middel is om een belangenconflict te beslechten.

Het klassieke ambacht van de discretie won het van de moderne hang naar de grote bek. Een opbeurende conclusie. Nu maar hopen dat de grote bekken het ook gezien hebben.