Onbewapend beton

Nederland telt duizenden monumenten van beton, een materiaal dat onverwoestbaar en eeuwig lijkt. Gebrekkige restauratie en roest doen de rijkdom aan bouw-methoden en -materialen echter verdwijnen.

Het betonnen gebouw van Radio Kootwijk, dat van 1923 tot 1998 in gebruik was voor radiotelefonie en -telegrafie.

Bij zijn oplevering in 1922 moet het gebouw van Radio Kootwijk, geheel uitgevoerd in gewapend beton, een heel andere uitstraling hebben gehad dan nu. Het betonnen oppervlak was indertijd niet glad maar gebouchardeerd, dat wil zeggen opgeruwd door er met een speciale bouchardhamer piramidevormige putjes in te slaan. Daardoor kwamen de verschillende kleuren van het voor het beton gebruikte grind in het zicht. In de jaren zestig is er bij een reparatie een laag beton overheen gespoten waardoor de oorspronkelijke kleur en textuur van het gebouw zijn verdwenen.

„Het gebeurt helaas vaker dat beton wordt hersteld zonder rekening te houden met de afwijkende eigenschappen en afwerking”, zegt Herdis Heinemann, gepromoveerd op historisch beton en werkzaam bij de leerstoel Heritage & Technology van de faculteit Bouwkunde in Delft. „Het beton wordt beoordeeld als hedendaags beton zonder de cultuurhistorische waarden te respecteren. Daardoor raakt de geschiedenis van de betonbouw in Nederland buiten beeld.”

Hoewel Nederland geen voorloper was met het bouwen in beton is die geschiedenis zeker de moeite waard, vindt Rob van Hees, hoogleraar Heritage & Technology in Delft. „Heel bijzonder zijn de forten van de Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, waaraan je mooi de overgang kunt zien van baksteen naar ongewapend en vervolgens naar gewapend beton. Die overgang verliep min of meer parallel aan de ontwikkeling van steeds krachtiger granaten.”

Bij het maken van ongewapend beton leunden de militaire ingenieurs sterk op de Nederlandse baksteentraditie. In plaats van grind werden grote stukken steen bijgemengd, soms natuursteen, vaak gebroken baksteen. Het bindmiddel voor dit zogeheten brikkenbeton was geen cement, maar een mengsel van kalk en tras, gemalen tufsteen uit de Eifel. Het werd al in de Romeinse tijd gebruikt, onder andere voor de koepel van het Pantheon. Vanaf de elfde eeuw wordt het in onze contreien toegepast als waterbestendige metselmortel voor belangrijke gebouwen, zoals kloosters, kerken en kastelen, maar ook voor waterbouwkundige werken, zoals fundering van sluizen en pijlers van bruggen.

Calvé-fabriek Delft

Eind negentiende eeuw deed gewapend beton zijn intrede, Naast toevoegen van ijzerdraad om de treksterkte te verbeteren, veranderde ook het bindmiddel. De traditionele traskalk werd vervangen door Portland-cement, een gesinterd mengsel van kalk en klei, dat veel sneller uithardde en een betere bescherming bood tegen roesten van de wapening. Tegelijkertijd deden zand en grind hun intrede als toeslagmateriaal, de benaming voor de stoffen die samen met water en cement het beton vormen.

Dankzij de voordelen van beton – grote overspanning, brandvrij en goedkopere bouwwijze – werd het in eerste instantie vooral toegepast in de weg- en waterbouw en in de industrie. Voorbeelden zijn het Hofpleinviaduct in Rotterdam (1908) en de nogal verwaarloosde Calvé-fabriek in Delft (1905). Latere voorbeelden zijn het al genoemde Radio Kootwijk (1922), de Van Nellefabriek in Rotterdam (1931) en het Sanatorium Zonnestraal in Hilversum (1928).

Aparte vermelding verdient het kantoorgebouw van de Rotterdamsche Cementsteenfabriek Van Waning & Co. Niet alleen om het gebouw zelf, maar ook om het product. Cementsteen werd gebruikt als goedkope imitatie van het dure natuursteen. In de jaren dertig ontwikkelde zich hieruit sierbeton. Zo zijn de beelden bij de ingang van Diergaarde Blijdorp in Rotterdam (1939) van beton, omdat er geen geld was voor natuursteen. Om ze daar toch op te laten lijken zijn ze bewerkt (gefrijnd) met de kathedraalslag die een ruitjespatroon oplevert. Blijdorp is trouwens ook een staalkaart van toepassingen van schokbeton, een Nederlandse vinding waarbij prefab betondelen tijdens het uitharden worden blootgesteld aan schokken om het materiaal te verdichten.

Het interbellum en de periode van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog waren bruisende periodes in de geschiedenis van beton. Woningnood en materiaalschaarste leidden tot experimenten met beton voor de woningbouw met als bekend voorbeeld Betondorp (officieel Tuindorp Watergraafsmeer), dat tussen 1923 en 1925 is gebouwd. Architecten experimenteerden ook met de samenstelling en de afwerking. Zo gebruikte H.G.J. Schelling gebroken glas, spiegels en bakstenen als toeslagmateriaal voor het NS-station in Enschede (1950). Naast al genoemde technieken als boucharderen en frijnen werd beton ook gepolijst om een glad oppervlak te krijgen of gewassen om de toeslagmaterialen te laten spreken.

Een bijzondere afwerkingstechniek was het metalliseren van beton, waarvoor de gebroeders Sanders in 1917 een octrooi verwierven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van metaalzouten om het beton een kleur te geven, variërend van groen (koperzout) en blauw (kobaltzout) tot wit, geel (tinzouten) en zilverkleurig. Metalliseren was vooral populair tot de ontwikkeling van speciale betonverven in de jaren dertig. Inmiddels is er weinig of niets meer terug te vinden aan gemetalliseerd beton. Wat er nog is, is overgeschilderd of gepleisterd, zoals de betonnen delen van de Watertoren in Zutphen. „Erger nog”, zegt Herdis Heinemann, „we zouden ook niet meer weten hoe het moet. De kennis van metalliseren van beton is verloren gegaan dus we kunnen het niet eens meer restaureren.”

Monumenten

Restaureren wordt steeds belangrijker, omdat steeds meer betonconstructies en gebouwen tot het nationaal erfgoed behoren. Volgens Rob van Hees gaat het om circa 2000 Rijksmonumenten en een veelvoud aan gemeentelijke monumenten. Van Hees is ook onpartijdig voorzitter van het Centraal College van Deskundigen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg. Een hele mond vol voor een College dat de richtlijnen beoordeelt voor het conserveren van monumenten. Die richtlijnen worden polderiaans opgesteld door een comité met daarin vertegenwoordigers van de aannemerij, de leveranciers van bouwmaterialen, architecten en overheid.

De bedoeling was dat er in januari 2015 een uitvoeringsrichtlijn zou liggen voor reparatie en behoud van beton, maar die deadline is niet gehaald. Sterker, er ligt zelfs nog geen begin van een richtlijn. Terwijl de tijd dringt. Van Hees: „Samenstelling en afwerking hebben ons veel te vertellen over anderhalve eeuw beton in Nederland. Dat verhaal verdwijnt als je beton gewoon blijft repareren in plaats van restaureren.”