Mozart, film noir en The Sopranos: allemaal oudheid

In een zeer erudiet boek laat classicus David Rijser zien hoe de klassieke oudheid, gefilterd door andere blikken en tijden, in steeds nieuwe gedaanten verschijnt.

Foto’s iStock

‘Klassiek is wat levensvatbaar is’, is de slogan van de Historische Uitgeverij die veel ‘klassieken’ opnieuw uitbrengt. Het is een kreet die zó beknopt uitdrukt wat klassiek zou kunnen betekenen dat menigeen de betekenis ervan zal ontgaan. Maar het is waar: datgene wat steeds weer nieuw kan zijn, kan ‘klassiek’ worden genoemd. Als een kunstwerk niet meer nieuw weet te zijn, is het niet klassiek, maar oud. Of zelfs passé. Rijp om te worden vergeten.

Dat wat wij de ‘klassieke oudheid’ noemen, is dan ook steeds opnieuw tot leven gekust, eeuwen lang al. In zijn onlangs met de Homerusprijs bekroonde boek Mietjes, monsters en barbaren. Hoe we de klassieke oudheid gebruiken om onszelf te begrijpen schrijft de Belgische classicus Toon Van Houdt dat weliswaar het oudetalen-onderwijs zeer ‘onder druk’ staat (zo zegt men dat tegenwoordig als iets bedreigd wordt of uitgeroeid), maar dat receptieonderzoek juist enorm goed gedijt.

Receptieonderzoek is alle onderzoek naar het voortleven van de oudheid in al zijn facetten. Anders dan men zou denken, meent hij, wijst die bedrijvigheid er niet op dat de belangstelling voor de oudheid nu nog heel groot is, maar veeleer ‘hoe losjes, hoe onzeker onze band met de oudheid inmiddels is geworden’. Volgens hem is receptieonderzoek ‘de hardnekkige poging van classici om de relevantie van de klassieke oudheid voor de huidige samenleving [...] met dikke nadrukkelijkheid aan te tonen’.

Of het een doodsstrijd is of niet, die ijver levert mooie boeken op. De titel van het boek van David Rijser, universitair docent Latijn in Amsterdam, geeft meteen al aan dat ook hij zich aan receptieonderzoek overgeeft: Een telkens nieuwe oudheid. Die titel laat ook zien dat de ‘klassieken’ wat hem betreft levensvatbaar zijn. En dat hij het meent, toont dit boek overweldigend aan: met buitengemeen enthousiasme, een zeer grote belezenheid en een jaloersmakend interpretatief vermogen laat Rijser de lezer alle hoeken van de oudheid en haar nawerking zien.

Hij maakt daarbij onderscheid tussen traditie, het doorgeven van een vaste kern, in dit geval de tragedies, epen en odes zelf, en receptie, het waarnemen van (aspecten van) die werken in een steeds andere tijd. Dat waarnemen kan overgaan in vervloeien, vervagen en vervormen, zozeer dat Rijser in de figuur van de detective uit de film noir van de jaren veertig en vijftig een erfgenaam van Oedipus ziet, iemand die uiteindelijk ‘door de ongrijpbare werkelijkheid van geweld en passie in een onverwachts schaakmat gedesillusioneerd wordt’. Die Oedipus is niet de rechtstreekse weerspiegeling van Sofokles’ Oedipus, maar een figuur die verband houdt met de wijze waarop Freud en Nietzsche de Oedipus-figuur herschapen hebben.

Freud

Freud schreef over Oedipus: ‘Zijn noodlot ontroert ons alleen omdat het ook het onze had kunnen worden, omdat het orakel vóór onze geboorte dezelfde vloek heeft uitgesproken als over hem.’ Een van de vele prachtige citaten in dit boek, dat vandaag een stuk overtuigender klinkt dan het door Freud ontworpen Oedipuscomplex, De notie dat het lot onontkoombaar is, had Freud van Nietzsche, schrijft Rijser, met dat verschil dat Freud die onontkoombaarheid ziet als een ziekte, waarvoor de psychoanalyse genezing biedt. Rijser meent dat Freuds these onder meer zoveel weerklank heeft gevonden omdat die op een antieke mythe gebaseerd was en daardoor iets van de eerbiedwaardigheid van de traditie overnam. De stapsgewijze onthulling van het complex, zowel bij Sofokles als in de psychoanalytische praktijk, is als het ware een recept voor het misdaadgenre – en daar komen we dan bij de film noir en meer in het bijzonder bij Chinatown.

In de eerste zeven hoofdstukken begint Rijser steeds bij een werk uit de oudheid en laat zien hoe dat, gefilterd door steeds andere blikken en tijden, in steeds nieuwe gedaante te voorschijn kwam. In de zeven hoofdstukken daarna, met als overkoepelende titel ‘Studeerkamergesprekken’ laat hij zien hoe latere auteurs (Dante, Petrarca, Machiavelli) ‘in gesprek waren’ met hun voorgangers en dankzij die gesprekken tot nieuwe werken en inzichten kwamen. Machiavelli, die door ‘ons’ altijd als zo’n verrassende moderne denker wordt beschouwd, ontleende zijn inzichten juist geheel aan de oudheid. In de laatste zeven hoofdstukken komen we bij Mozart en The Sopranos diverse van de bekende helden en motieven tegen.

Rijsers boek begint, logischerwijs, bij Homerus. Het is een van de verbluffendste scènes in de Odyssee: Odysseus die onderweg naar huis als gast bij de Faiaken is ontvangen en aan de daar optredende zanger Demodokos vraagt om te vertellen over het Trojaanse paard, zijn eigen beroemdste list. Demodokos doet dat en Odysseus raakt zeer ontroerd door wat nu méér is geworden dan zijn eigen verhaal. Hij ziet alles nu niet zozeer persoonlijk, maar als de tragiek van de menselijke conditie, sub specie eternitatis (vanuit het gezichtspunt van de eeuwigheid, red.), schrijft Rijser. Daardoor is Aristoteles’ beroemde ‘katharsis’ mogelijk, het reinigende en troostende inzicht.

Rijser meent dat Odysseus zich misschien wel, dankzij dit verhaal inleeft in de verslagenen, de verliezers van deze oorlog waarin hij een overwinnaar was. Dat lijkt me nu weer eerder een inzicht dat ons, moderne lezers, deelachtig wordt, maar vooruit. Wat Rijser erbij zegt is daarentegen de spijker op de kop: dat het besef van het menselijk verdriet, eigenlijk het enige waar stervelingen zeker van kunnen zijn, bij Homerus en in de Griekse tragedies ‘niet gepaard [gaat] met sentimentaliteit of weekheid. Het is rauw en waar.’ En dat is precies waarom die traditie ons steeds weer weet te treffen.

Een schitterend en zeer rijk boek dus, dat alleen ontsierd wordt door een wat achterblijvende eindredactie: soms zijn de zinnen moeizaam en omslachtig waar dat makkelijk opgelost had kunnen worden, er staan dingen in als ‘hij schepte een nieuw werk’, en om onduidelijke redenen zijn álle Griekse namen verlatiniseerd, tot zelfs het eiland Kos aan toe dat hier ‘Cos’ heet.