‘Ik maak sculpturen van taal’

Donderdag ontvangt Astrid Roemer in het Letterkundig Museum in Den Haag de P.C. Hooftprijs voor haar oeuvre. Na jaren van afzondering is ze weer een publiek persoon.

Schrijfster Astrid Roemer: „De ruimte die ik voor mezelf had werd steeds kleiner.” Foto Wouter van Vooren

Meteen bij de kennismaking, op de drempel nog, trekt Astrid Roemer haar jas aan. Ze moet nog naar de winkel. Zo zit de interviewer even later aan de keukentafel van het kleine, moderne appartement van Roemer, in het centrum van Gent. Alleen met de poes van de schrijfster, die rustig ligt te slapen op de bank. Boven die bank hangt een beveiligingscamera. Langs een openstaande kastdeur is een monitor te zien. In het midden van het beeld slaapt de poes verder op haar kleedje.

Na tien minuten is Roemer terug met koffie, sap en koekjes. Ze is tevreden in Gent, waar ze terechtkwam na omzwervingen van tien jaar langs verschillende plaatsen in Nederland en het buitenland. Nergens bleef ze langer dan een paar jaar, Dan pakte ze rugzak, kat en laptop weer bij elkaar en trok ze verder. Ze woonde op het Britse eiland Skye. Die onrustige en ambulante periode in haar leven is de voornaamste inspiratiebron voor Liefde in tijden van gebrek, haar nieuwe roman. Niet lang na haar terugkeer op het Europese vasteland kreeg de schrijfster verrassend de P.C. Hooftprijs, die donderdag in Den Haag wordt uitgereikt. Zo keert Roemer (Paramaribo, 1947), die naam maakte met haar trilogie over postkoloniaal Suriname – Gewaagd leven (1996), Lijken op liefde (1997) en Was getekend (1999) – na jaren stilte terug in de publiciteit. „Ik werd volledig verrast door de prijs, ik had er geen idee van dat er zoiets op stapel stond. Na de bekendmaking ben ik een week binnengebleven om niet herkend te worden in Gent.”

U heeft de prijs opgedragen aan de schrijvers Bea Vianen (1935), Edgar Cairo (1948-2000) en Anil Ramdas (1958-2012). Waarom?

„Toen ik in de jaren zestig naar Nederland kwam, publiceerde Bea Vianen haar prachtige romans, die in mooie uitgaven verschenen bij Querido. Zij is later psychotisch geworden. De verhalen die er in Surinaamse kringen over haar verteld waren, waren verschrikkelijk. Niet veel later gebeurde iets vergelijkbaars met Edgar Cairo. Die is in zijn ding verdronken. Of dat door zijn schrijverschap kwam of door privé-dingen weet ik niet precies. Maar ook hij werd psychotisch. Daar is hij niet meer uitgeraakt. Later ontmoette ik Anil Ramdas, een heel begaafd essayist. In het begin zag je zijn enorme positivisme, maar in de loop der tijd raakte hij steeds meer teleurgesteld tot hij zelfmoord pleegde. De laatste keer dat ik hem zag, in Suriname, was hij vreselijk mager. Wat er met die mensen is gebeurd, dat kan niet alleen met hun karakters te maken hebben. Dat moet ook hun habitat zijn geweest.”

De habitat van die ongelukkige Surinaamse schrijvers is deels de uwe. Na de toekenning van de P.C. Hooftprijs is gesuggereerd dat het een politiek correcte bekroning was. Heeft dat u gekwetst?

„Nee. Als ik ’m had gehad omdat ik een zwarte vrouw was, had ik hem niet geaccepteerd. Ik heb hard en goed gewerkt. Er was geen rivaliteit, geen corruptie. Maar ook afwijzende reacties zijn gezond. Het is nu eenmaal een kwestie van smaak. Er zijn altijd mensen die een prijs liever aan een ander geven.”

Maar er is toch een verschil met een debat of een prijs naar, zeg, Grunberg of Van der Heijden moet gaan. Er zat meer gif in wat er over u werd gezegd.

„Wat wil je? Ik ben een zwarte vrouw in een blank Europees land. Ik ben geboren in een heel klein nietszeggend land, nota bene een Nederlandse kolonie. Ik besef van hoe ver ik kom. Hoger dan de P.C. Hooftprijs kom je niet als professioneel fictieschrijver. Het ressentiment in de reacties is niet aangenaam, maar ik zou verwonderd zijn als ze niet waren gekomen.”

Wist u als kind in Suriname al dat u schrijver wilde worden?

„Ik ben van jongs af aan verzot geweest op taal. Mijn moeder was onderwijzer en moest zelf ook vroeg op. Ik ging in bad, moeder kamde mijn haar en kleedde mij aan om daarna per taxi naar school te worden gereden. Op de radio speelden ze liedjes van Annie MG Schmidt. Ik herinner me Dikkertje Dap.” Roemer zingt een stukje voor. „Voor mij kwam alles uit een totaal onbekende wereld. De teksten zijn geweldig: er zit verhaal in, dialoog en fictie. Ik denk dat mijn interesse in taal daar is begonnen. Ik luisterde graag naar volwassenen en vond het bijzonder wat taalgebruik deed. Dat die geluiden en tekens betekenis hadden, dat ze mensen raakten. Dat mijn oma iets zei en dat haar dochters daarvan konden gaan huilen of schaterlachen. Ik hou zo veel van woorden. Als ik sterf zal ik de taal het meest missen.”

Las u veel?

„Ik las alle boeken die in huis waren, al was daar weinig fictie bij. Er was een boekwinkel in Paramaribo, waar ik boeken bestelde waarover ik recensies had gelezen in The Times. De Nederlandse vertalingen, maar als die er niet waren de Engelse versies. Die las ik met het woordenboek erbij. Ik publiceerde ook al.”

Was u ambitieus toen u als twintiger naar Nederland kwam?

„Nee man! Ik ben nog steeds niet ambitieus. Het heeft in Holland lang geduurd voor iemand mij op een podium kreeg. Toen ik succes kreeg, merkte ik het aanvankelijk amper: ik las geen kranten. Ineens zag ik posters van mezelf in de boekhandel. Ik was zo beschaamd. Ik kon wel door de grond zakken.”

Toch werd u een bekende schrijfster, een publiek persoon. Dat gebeurt nu opnieuw, na jaren afzondering.

„Publiciteit is de consequentie van publiceren. Mensen hebben recht om te zien wie de P.C, Hooftprijs heeft gekregen. Ik wilde wachten met interviews tot dit boek er zou zijn. Alles wat erin staat is waar en feitelijk waar gebeurd. Ik wilde autobiografisch schrijven. Voordat je plotseling sterft en anderen over je gaan schrijven op basis van roddel en leugens. Ik heb niets tegen biografen, maar je kunt beter eerst zelf je eigen ding onder woorden brengen.”

Dat ‘eigen ding’ is geen vrolijk verhaal. Astrid Roemer trok niet voor haar plezier door Europa. Liefde in tijden van gebrek beschrijft hoe ze zich vijftien jaar lang vrijwel onophoudelijk opgejaagd voelde. Door inbrekers en stalkers, mensen die zich voor haar uitgaven, door de politie. Het is óók het verhaal van een vrouw die door steeds minder mensen wordt geloofd. Roemer staat op en aait de kat. „In het publieke domein wil ik benaderbaar zijn. Maar binnen is binnen, was mijn stelregel. Ik moet alleen kunnen zijn, stil zijn, muziek luisteren. Maar de ruimte die ik voor mezelf had, werd steeds kleiner. Het slotdeel van de trilogie schreef ik onder zeer moeilijke omstandigheden.”

Wat waren die omstandigheden?

„Ik woonde samen in Den Haag. Mijn partner klaagde erover dat mensen ons huis binnenkwamen. Als we op zaterdag boodschappen hadden gedaan en daarna naar het strand gingen, waren ze bij thuiskomst verdwenen. Post bereikte mij niet meer, of alles was opengescheurd. Dat leverde spanningen op, want ik dacht dat mijn partner wist hoe het gebeurde. Ik houd niet van ruziemaken, dus stelde ik voor twee aparte huizen te nemen.”

Dat hielp niet?

„De politie in Den Haag deed niks. Ik had een kluis achter een Mona Lisa in mijn huis. Als daar dingen uit worden weggehaald en de politie komt niet, wat moet je dan? Ik heb nooit drugs gebruikt, ben geen drinker, geen roker, ben nooit met de politie in aanraking gekomen. Ik heb geen vrienden die dit soort dingen doen. Ik ben naar Maastricht verhuisd en heb mij langzaam teruggetrokken. Later besloot ik dat ik naar het buitenland moest.”

Uw boek gaat over schending van intimiteit. Steeds wordt er op de deur geklopt, komt er iets of iemand uw huis binnen.

„Weet u hoe ik het noem? Vingeren in mijn privacy. Het is weer-zin-wek-kend, het is verschrikkelijk. Er verdwijnen spullen, ze laten constant viezigheid achter. Recent ben ik heel erg woedend geworden. Ik had even boodschappen gehaald, er zou bezoek komen. Toen ik weer thuis was, deed ik de wasmachine open. Al mijn mooie dure kleren – ik hecht aan goede kleding – waren weg en in plaats daarvan zaten er oude vieze spullen van iemand anders in. Ik ben dan in alle staten van radeloosheid. Ik heb geen geld om al die dingen steeds te vervangen. Ik ben al diverse laptops kwijtgeraakt.”

Roemer vertelt snel door. Over inbraken door het badkamerraam, over mensen die brieven schrijven in haar naam terwijl zij geen brievenmens is, over het leeghalen van haar bankrekening, over een vrouw die zich bij een therapeute voor haar uitgaf, over naar sigaren stinkende seksboekjes die ze tussen haar spullen vond. Over de bewakingscamera die ze vorige maand liet installeren. „Het zijn veel woorden, ik weet het, maar dit is zo moeilijk te vertellen. Ik probeer bij de feiten te blijven. Ik wil niet speculeren over wie het kan zijn of waarom dit gebeurt.

„Veel mensen worden gestalkt. En veel vrouwen worden vermoord. Nooit hebben ze mijn innerlijk geluk kapot kunnen maken. Ik heb gejankt toen ze mijn kater hebben getrapt in De Bilt en hij na drie dagen dood overleed. Dat was hartverscheurend pijnlijk. De poes verstopt zich altijd, maar de kater gaat kijken.”

Weerhield dit alles u er ook van om te schrijven?

„Ik ben geen schrijver die gaat schrijven als ze boos of verdrietig is. Als ik schrijf ben ik 100 procent in topconditie. Ik vergelijk het graag met sport. Je loopt niet de 100 meter als je pijn in je teen hebt.”

Die trilogie geldt als uw belangrijkste werk, wat stond u daarbij voor ogen?

„Dit boek begon met de ellende in Suriname, met de Decembermoorden in 1982. Het boek is zo diep Surinaams, gaat zo echt over de relatie tussen Nederland en Suriname. Maar het zijn geen historische boeken. Schrijven is voor mij iets anders dan vertellen, ik gebruik er andere taal voor. Ik maak sculpturen van taal. Dat haalt het weg uit de wereld van verhalen. De Decembermoorden probeer ik niet te verklaren. Voor mij gebeurt elke moord vanuit een irrationele gedachte. Of het nu op een mens is, een dier of het kappen van een bos. Ik probeer dingen te laten zien die ermee te maken hebben.”

Daar kreeg u in Suriname kritiek op?

„In Suriname zeiden docenten tegen me: ‘Ik kan uw boeken op school niet behandelen. Het gaat over ons, onze ouders, onze politici! U beschrijft wat de vaders van deze kinderen doen. Die komen ook midden in de nacht thuis.’ Een boek als De koningin van Paramaribo van Clark Accord kunnen ze wel behandelen, of een historische roman. Dat is lekker ver weg. Dan kunnen ze woedend worden om de geschiedenis.”

Vindt u dat jammer?

„Mijn familie las mijn boeken niet – nog steeds niet. Maar hun kinderen wel. Mijn broer, die mij in nood met geld bijstaat, interesseert het eigenlijk geen bal. Maar zijn dochter begon scripties over mijn werk te maken. Vooral Surinaamse mannen waren woedend. Mijn zusje in Suriname herkende zich in het boek zei: ‘Jezus Astrid, dit boek gaat over ons.’ Ik zei haar: hoe kan het over jou gaan? Is je man dominee? Hebben jullie drie kinderen? Maar zo dichtbij kwam het dus voor haar. Dat was moeilijk. Ik heb gebroken met mijn geboorteland. Daardoor mis ik het contact met mijn nichtjes en neefjes.

„Dat is ook het geheim van wat er gebeurd is met Bea Vianen, Edgar Cairo en met Anil. Dat de mensen die het dichtst bij je zijn, je in een gat willen trappen. Je voelt het doorlopend. Als je een spinnenweb hebt, dan zijn zij de draden. Daar komt de agressie van de buitenwereld nog bij. Eigenlijk houd je dat niet vol.

Dat werpt de vraag op of het het waard is geweest.

Roemer schudt het hoofd. „Dat weet ik niet, Arjen, dat weet ik niet. Ik ben zoveel levensvreugde kwijtgeraakt door het publiceren. De P.C. Hooftprijs maakt dat ik gelukkig zal sterven, deskundigen hebben geoordeeld dat het ergens goed voor is geweest! Maar de tederheid in de contacten met mijn neefjes en nichtjes en de vreugde die daar altijd in heeft gezeten, mis ik en denkend aan het stalkingsgeweld weet ik niet of het het waard is geweest.”