Ik heb revanche genomen

Hoe grijpt terreur in in gewone levens? Dat onderzoekt Frank Westerman in zijn boek Een woord een woord aan de hand van de Molukse kapingen. Ondertussen gaat hij in op de veranderde kijk op terroristen.

Te invoelend

„Je komt op een bijzonder moment. Ik kreeg vanmorgen een brief van een oud-Kamerlid voor D66. Ze schrijft wat haar verhaal was, hoe dat veranderd werd en hoe dat door mijn boek wéér veranderd is. Ze had in 1977 in de huiskamers gezeten van de ouders van gedode Molukse kapers en op basis daarvan had ze haar pleidooi in de Tweede Kamer voorbereid. Staatssecretaris Zeevalking vond dat te invoelend. Hij zei: ‘Dat kan zo niet. Je brengt begrip op voor mensen die een terroristische daad hebben gepleegd.’ Ze paste haar tekst aan en denkt er door mijn boek nu weer anders over. Het is me niet eerder gebeurd dat ik zoveel reacties krijg: een broer van een kaper, een ex-gegijzelde, een ex-marinier.”

Schilderswijk

„Ik hoop dat ik met dit boek de jongens in de Schilderswijk bereik. Er is een exemplaar onderweg naar Tanja Nijmeijer. Toen ik student was steunde ik het verzet tegen de dictatuur in El Salvador door geld voor wapens in te zamelen. Ik raakte ook bevriend met een RAF-terroriste op Cuba. Nu denk ik daar met wroeging aan. Tienduizenden demonstreerden in Nederland voor een betere behandeling van de RAF-gevangenen. Heel West-Europa zinderde van de terreuraanslagen. De vraag die ik op de snijtafel wilde leggen is: hoe verhouden we ons tot geweld en hoe verhielden we ons tot geweld?”

Frustratie

„De vraag: En? Dus? is typisch iets van nu. Naar het verleden kijken om daar recepten uit te halen voor het heden is zinloos, vinden historici. Ik vind die benadering wat kortzichtig. Het gaat om de psychologie van frustratie. Die is hetzelfde. De biologie van de boosheid noem ik het. De kaper die ik sprak en die nu dichter is, zei letterlijk tegen me: Frank, toen ik in 1975 aan de treinkaping begon, bestond het woord ‘radicalisering’ nog niet. Het was ‘harding’. Nu geldt hij als iemand die gederadicaliseerd is, maar ik zou zeggen: hij is nu onthard. Je kunt de vergelijking natuurlijk niet maken: Ambon kun je niet vergelijken met Syrië, dat lijkt me vanzelfsprekend. Die verschillen zijn er, maar de parallellen ook. Daar ben ik naar op zoek.”

Bebloed hemd

„Aan het slot van mijn boek staat wat ik denk dat de conclusie moet zijn. Daarin schrijf ik over een toneelvoorstelling die in huiskamers in Bovensmilde wordt opgevoerd, de plaats waar de gekaapte school heeft gestaan. Hieraan doen zowel Molukkers als niet-Molukkers mee. Ze praten met elkaar over wat er toen is gebeurd, het publiek doet mee. Allemaal hebben ze een hartverscheurende herinnering.

Dat is hoe je 39 jaar nadat de schoolkinderen gegijzeld waren dat geschonden weefsel van de samenleving probeert te herstellen. Ik contrasteer dat Drentse dorp met Beslan, waar Tsjetsjeense terroristen een school gijzelden. Hier heb ik een foto van een bebloed hemd dat de ouders hebben bewaard. Poetin zegt: we praten niet met kindermoordenaars. Dan krijg je dus dit. In Nederland zaten er twee psychiaters met de gijzelaars te praten. Hier kwamen de kinderen lichamelijk ongedeerd naar buiten, maar wel levenslang psychisch geschonden. Poetin sloeg terug met geweld, bijna 200 dode kinderen en wat overblijft is een bebloed hemd. Als je wel het gesprek aangaat, dan krijg je een dichtbundel van een ex-kaper die zich ‘heeft leren verwoorden’.”

Zwakte

„Ik heb geen in graniet gebeitelde antwoorden. Is de pen machtiger dan het zwaard? Nee, ze hebben elkaar nodig. Het wapen kan niet zonder het woord, het zwaard is nodig om het woord te beschermen. Dat laatste had ik vroeger echt niet gezegd. Ik weet niet of we onze houding hebben veranderd omdat we ons minder kunnen identificeren met daders, of omdat we zijn vervallen in wij-zij-denken. We verwaarlozen de spier van de verbeelding en het vermogen je in te leven in de ander. President Hollande roept ‘We zijn in oorlog’. Zo voelt het, ook bij mij, als zo’n aanslag net is geweest. Maar de reflex om geweld met tegengeweld te beantwoorden, is een teken van zwakte. Als je alleen gaat bombarderen, ga je op de terrorist lijken. Wat verdedig je dan nog?”

James Foley

„Je kan niet zeggen dat beelden belangrijker zijn dan woorden, omdat iedereen het beeld van de Amerikaanse journalist James Foley vlak voor zijn onthoofding in Syrië wel heeft onthouden, maar niemand nog weet wat hij heeft geschreven. In Parijs was er na de aanslag een kaartje met ‘books, not bombs’. Ik schrijf ook boeken en ik heb willen antwoorden met een boek, op een indirecte manier, via de band van ons eigen verleden met terreur. Bij aanslagen wordt nu nog steeds tekst aangehaald. Hele lappen, verhandelingen, betogen, fatwa’s en vervloekingen. Mohammed B. prikt een tekst op de buik van Theo van Gogh, de Noorse terrorist Anders Breivik komt met 800 pagina’s proza. Dat zijn woorden. Maar het is tegelijkertijd wel zo: het gesprek met de Molukkers kwam pas tot stand nadat ze geweld hadden toegepast. Wat een ironie. Ik heb zelf als correspondent in Rusland gevoeld hoe het is wanneer je je niet meer op woorden kan verlaten. Ik ben de rivier Terek naar Tsjetsjenië niet overgestoken omdat het er te gevaarlijk was. Ik kon dus geen direct verslag doen van de oorlog daar. Het idee dat je met verhalen de wereld ten goede kunt veranderen, koester ik niet. Maar stoppen met vertellen verandert de wereld ten kwade. Daar hou ik me aan vast.”

Schuldgevoel

„De vraag hoe een verhaal ontstaat was voor mij de inzet van Stikvallei. In Een woord een woord was het: wat heb je aan verhalen? Dit boek ligt dus ook in het verlengde van Stikvallei. Ook met mijn reportages in Bosnië en Srebrenica gaf ik antwoord op wat er met me gebeurde toen ik die rivier niet overstak. Ik denk dat het belangrijk was dat journalisten verslag deden van de oorlog daar, en ik heb er in volle overtuiging aan meegedaan. Het grote verschil was dat de oorlog in Tsjetsjenië niet te doen was als verslaggever; ik spreek dan namens 99 procent van de journalisten. Je kwam er niet in, werd er ontvoerd, gegijzeld of onthoofd. Het is hetzelfde als met Syrië. Ik zoek voortdurend parallellen. Misschien heb ik inderdaad een schuldgevoel overgehouden aan het niet oversteken van die rivier en heb ik in mijn werk het geloof in de kracht van het woord willen terugwinnen op de verslagenheid van toen die ik ervoer door terug te deinzen voor onmenselijk geweld. Met dit boek heb ik revanche genomen op mijn uitgeholde geloof in dat woorden er wel toe doen. Cynisme is de opzichtige camouflage van de machteloze. Ik heb terrein willen terugwinnen op mijn eigen cynisme, een boek lang.”

Overigens

„Als hij een aflevering van [het VPRO-buitenlandprogramma] Diogenes af had, zei Jan Blokker sr. tegen zijn collega’s: nu maar hopen dat de uitzending door een tv-recensent besproken wordt en niet door de expert van dienst. Dat gevoel kreeg ik ook toen ik de recensie van Beatrice de Graaf van mijn boek in deze krant las. Ik schrijf documentaires. De Graaf verwijt me onder meer dat ik in Een woord een woord twee mensen laat zeggen dat er pas in 1975 werd nagedacht over hoe je met gijzelingen moest omgaan, terwijl er al eerder ambtenaren bezig waren met beleid. Maar ik ben geen auteur van woorden als ‘overigens...’ Ik kan toch niet betrokkenen aan het woord laten en dan zeggen: overigens waren er al eerder ambtenaren mee bezig? Zo’n zin met ‘overigens’ komt er niet in, nooit.”