Opinie

Hulpverlener heeft zelf ook hulp nodig

Werknemers in de GGZ moeten mensen helpen. Maar wat als ze zelf een psychische aandoening hebben? Het overkwam Suzan Oudejans. Haar advies: vertel het, en maak de sector zo beter.

De cijfers klinken ons, beroepsbeoefenaren in de geestelijke gezondheidszorg, de GGZ, vertrouwd in de oren: 2 miljoen Nederlanders kampten het afgelopen jaar met een psychische aandoening. Het cijfer kwam onlangs ook voorbij op één van de kwaliteitscongressen voor de GGZ. De vertegenwoordigers van de patiëntenbeweging, ervaringsdeskundigen genaamd, namen regelmatig het woord. Dat is ook belangrijk.

Ik keek om me heen. Die 2 miljoen is 20 procent van onze beroepsbevolking. Wat zegt dat over ons, hier? Deze zaal moest wemelen van de ervaringsdeskundigen. Waarom doen we alsof dat niet zo is? Waarom wijzen we aparte ervaringsdeskundigen aan?

Het kan niet anders zijn of de GGZ is vergeven van ervaringsdeskundige psychiaters, psychologen, secretaresses, helpdeskmedewerkers, receptionisten, onderzoekers en directeuren. En ontberen ze zelf ervaring, dan hebben hun partners, familie of vrienden dat wel. Waarom blijft dit grotendeels ongezien en onbesproken?

Ik kan het antwoord alleen voor mezelf geven. Ik ben één van die ervaringsdeskundigen. Ik werk als onderzoeker en adviseur in de GGZ, ik heb een psychische aandoening én ik hield mijn mond. Waarom?

Het is moeilijk om over te praten, het is moeilijk om hulp te vragen, maar het is vooral verwarrend om met een psychische aandoening in de GGZ te werken. Zelfs toen het duidelijk was dat ik aan een posttraumatische stress stoornis leed, kon ik het maar met een paar collega’s delen, hortend en stotend.

De lange periode die daaraan voorafging, werd gekenmerkt door zelfopgelegde schimmigheid en onzekerheid. Over mezelf en over mijn werk: kan ik wel functioneren? Kan ik mij wel professioneel bezighouden met de psychiatrie terwijl ik er zelf in thuis hoor? Hoe zullen anderen, mijn collega’s, onze opdrachtgevers, dit zien? De inhoud van mijn werk wakkerde regelmatig angst en vermijding aan: de GGZ gaat over problemen, en ik liep er elke dag tegenaan.

De periode van hulp zoeken, op de wachtlijst staan en een behandeling ondergaan was ingewikkeld. Er ging aardig wat mis. Dat was op persoonlijk vlak moeilijk, maar professioneel gezien des te interessanter. De kwetsbaarheid en het gevoel van afhankelijkheid - ik heb het allemaal volop ervaren.

Hoewel ik in mijn werk dagelijks bezig was met het functioneren van de zorg, was het moeilijk mijn ervaringen te delen. Ik voelde me eenzaam, en ik deed het mezelf aan. Want toen ik eenmaal voorzichtig begon te praten, ondervond ik herkenning en begrip.

Dat is in de eerste plaats winst voor mijzelf. Maar dat kan het ook zijn voor de sector: de GGZ kan veel meer profiteren van de ervaringsdeskundigheid van de eigen beroepsbeoefenaren. Ik was gebaat bij artikelen waarin psychologen, managers en bestuurders in de GGZ die zélf een diagnose hebben ‘uit de kast’ kwamen. Eén van hen deed later, samen met een andere hulpverlener, haar verhaal voor een groep hulpverleners bij het RINO, een beroepsopleiding voor de GGZ .

Ik sluit me graag bij hen aan en roep mijn ervaringsdeskundige collega’s op hetzelfde te doen, op een manier die bij hen past.

Naast onze ervaringen hebben we elk onze expertise in de psychiatrie. Dat is een goudmijn. We zijn er, elke werkdag weer. We kunnen onze collega’s, opdrachtgevers en cliënten vertellen hoe het is om een psychische aandoening te hebben, hoe het is om in behandeling te gaan, hoe het is om te genezen, hoe het is als dat niet lukt, en niet te vergeten van welke kansen, fouten en successen de sector kan leren om zo beter en beter te worden.