Hoe de spreeuw verdwijnt uit het vergiftigde en platgewalste landschap

De spreeuw is mooi, met dat iriserende verenkleed met witte vlekjes. En indrukwekkend, als ze ’s avonds in massale vluchten boven het land suizen.

Spreeuwen zag je altijd wel, vertelt Koos Dijksterhuis in de inleiding van zijn boek De spreeuw. Je ging op vogelexcursie, zelfs door een „jong productiebos op een regenachtige novembermiddag”, en dan waren ze er. En nu veel minder.

Spreeuwen horen bij de verliezers onder de huis-tuin- en keukenvogels van Nederland. Eind jaren zeventig waren er 750.000 à 1,3 miljoen broedparen, nu nog 170.000 à 300.000, legt Dijksterhuis uit. De natuurjournalist en -schrijver koos die spreeuw-in-de-verdrukking tot onderwerp van zijn boek.

Na de melancholieke inleiding wordt De spreeuw vooral een intiem boek over een alledaagse vogel. Een mooie vogel, dat wel, met dat iriserende verenkleed met witte vlekjes. Maar verder: de spreeuw eet insectenlarven en zaden, hij broedt in de holletjes en spleten die hij kan vinden, en als hij ’s winters wegtrekt, gaat-ie gewoon naar Groot-Brittannië. Indrukwekkend zijn spreeuwen alleen als ze ’s avonds in massale vluchten boven het land suizen.

Dat Dijksterhuis met genegenheid over ze schrijft, komt gewoonweg doordat ze vogels zijn, want hij heeft vogels lief. Hij schrijft over spreeuwen die in de vachten van wandelende schapen broeden; over de spreeuwenvluchten die misschien gewoon „voor de gezelligheid” zijn; over het magnetisch kompas van spreeuwen en andere trekvogels. Soms is het wat wijdlopig – werkelijk alles over de eileg en het dieet van de spreeuw staat erin.

Veel anekdotes zijn vooral met weemoed doorspekt. Spreeuwen „pruttelen, sputteren en reutelen” een zacht en ingewikkeld lied, waarbij ze met groot gemak geluiden imiteren. Een paar jaar geleden waren er op Rotterdam Centraal een paar spreeuwen die het geluid van sissend openende treindeuren nadeden. En spreeuwengeluiden veranderen. Een vriend van de schrijver in Friesland vertelde hem in 2013 dat ‘zijn’ spreeuwen geen grutto’s meer nadeden. De grutto’s waren uit de weiden verdwenen.

Zulke persoonlijke verhalen kleuren het boek. Wie het uitleest, weet dat Dijksterhuis in een ecologische woonwijk woont, met rond het huis broedende spreeuwen. Dat hij een vakantiehuisje heeft op Schier en vogelreizen maakt naar Groenland en IJsland.

En hij zat vroeger bij de Christelijke Jeugdbond voor Natuurstudie – hij heeft gezíen hoe de veldleeuweriken schaars werden. Het is pijnlijk te lezen dat die vogeltjes tot de algemeenste broedvogels van Nederland hoorden. Dijksterhuis citeert ook uitgebreid uit een proefschrift uit 1933 waarin hij veenweides beschrijft van zeven soorten zeggen, met gentianen en vol orchideeën: een verdwenen landschap.

Dat is in het laatste hoofdstuk, waarin de schrijver de harde noten kraakt. Koos Dijksterhuis verfoeit het „weggemeste, uitgedroogde en platgewalste” Nederlandse landschap en twijfelt er niet aan: landbouwgif zorgt voor de achteruitgang van spreeuwen. In Nature publiceerden Nederlandse biologen in 2014 dat er een verband is tussen hoge concentraties insecticiden en de achteruitgang van boerenlandvogels zoals spreeuwen.

Maar erg precies wordt Dijksterhuis niet: even later wijst hij medicijnresten, overbemesting en de bloemloze weilanden als mogelijke oorzaken aan. Zelfs is niet duidelijk hoe de aantallen spreeuwen fluctueerden: weliswaar gingen de aantallen sinds 1980 achteruit, eind jaren zeventig was volgens Dijksterhuis juist de „glorietijd”, tegelijk met een spreeuwenhausse in Groot-Brittannië en Ierland. Toen was het Nederlandse boerenland óók al flink aangetast. Het is een belangrijk onderwerp – je zou willen dat je het begreep.