Een vermoeide jongen met pijn op de borst

Reconstructie Gemiste diagnose De dood van de 21-jarige Rogier Mooij, in de nacht van 3 op 4 november, veroorzaakte nationale verontwaardiging. De longarts kreeg de schuld. Wat kan er in het ziekenhuis gebeurd zijn?

Het Tergooi Ziekenhuis in Hilversum waar Rogier Mooij in november 2014 overleed. Foto Frans Lemmens

Een 21-jarige jongen, Rogier Mooij, sterft na een gemiste diagnose aan de gevolgen van een ontstoken hartzakje, twintig uur nadat hij ziekenhuis Tergooi is binnengelopen. De artsen hebben op dat moment geen verklaring en als Rogiers moeder na verloop van tijd begint te denken dat Tergooi de zaak probeert te verzwijgen doet ze aangifte. Justitie begint een onderzoek. Het is voorjaar 2015.

Rogiers moeder dient ook een klacht in bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en die zegt (in een conceptrapport) dat de longarts, Rogiers hoofdbehandelaar, „ernstig is tekortgeschoten in de zorg”. Het wordt hem zwaar aangerekend dat hij niet zelf bij zijn patiënt is gaan kijken. En het ziekenhuis, zegt de inspectie, heeft een „patiënt in levensgevaar niet herkend”. Het is zomer 2015.

In mei 2016 is er nog geen tuchtzaak geweest en geen rechtszaak, er is geen uitspraak en geen vonnis, maar na alle publiciteit over de zaak – Argos, de Volkskrant, Pauw – lijkt het oordeel geveld. Een jongen van 21, tophockeyer, die zomaar sterft? Dood door schuld en de dader is de longarts. Youp van ’t Hek heeft het in zijn NRC-column over de „aantoonbare grove nalatigheid” van de longarts. „Waar was hij toen die jongen onnodig stierf? Bij zijn belastingadviseur? [...] Aanpakken dat spul. Niks wegmoffelen.”

De verontwaardiging is des te groter omdat de moeder een schadevergoeding van Tergooi heeft gekregen en met haar is afgesproken dat geen van beide partijen de zaak naar buiten zal brengen. Er worden Kamervragen gesteld. De minister van Volksgezondheid vindt dat zulke afspraken verboden moeten worden.

Is het publieke vonnis in deze zaak terecht? NRC reconstrueert in dit artikel hoe het mogelijk is dat de diagnose werd gemist. Wat zegt het obductierapport – in bezit van deze krant – over de details van de doodsoorzaak? De krant sprak met vier artsen van andere ziekenhuizen, een cardioloog, een cardiochirurg en twee longspecialisten. En met Rogiers vader, Michel Mooij.

Het verhaal van de moeder begint op zondagavond 2 november 2014, als ze Rogier hoort klagen over benauwdheid en pijn op de borst. Ze zijn net verhuisd naar Blaricum, een rijtjeshuis, na een scheiding. ’s Nachts wordt de pijn erger en maandagochtend belt Rogiers moeder de huisarts, die paracetamol voorschrijft. Ze vertrouwt het niet en om half een gaat ze met Rogier naar het ziekenhuis in Blaricum.

De arts-assistent ziet een vermoeide magere jongen, die twee jaar eerder pfeiffer heeft gehad en daar niet goed van hersteld is. Zijn bloeddruk is laag, de pijn op zijn borst trekt naar zijn rug en schouders. Ze heeft een ‘niet-pluisgevoel’. In het hartfilmpje dat ze laat maken ziet ze geen afwijkingen. Wel vallen haar de hoge ontstekingswaarden in zijn bloed op. Op de foto meent ze in de borstholte bij de linkerlong wat lucht te zien. Een klaplong? De longarts die ze raadpleegt – hij is in de Hilversumse locatie van Tergooi – is daar niet van overtuigd en vraagt haar de internist te bellen. Er wordt besloten Rogier op te nemen en er wordt een afspraak gemaakt voor een CT-scan, de volgende ochtend. Inmiddels is er een tweede foto gemaakt en de longarts weet het zeker: geen klaplong.

Om vier uur gaat Rogier met de ambulance naar Hilversum. Zijn moeder zit naast hem en maakt zich zorgen. Rogier zakt steeds weg. In Hilversum wordt hij in bed gelegd en dan hoort zijn moeder tot haar verbazing dat de voorlopige diagnose toch een klaplong is. Het staat in de brief die met Rogier is meegegaan. De longarts is al naar huis, zijn dienst zit erop. De arts-assistent in Hilversum zegt dat hij later zal komen kijken.

Even na zevenen gaat Rogiers moeder ook naar huis. ’s Avonds is Rogier angstig en onrustig. Hij belt zijn moeder en die vraagt een vriend – een arts, blijkt later – bij hem langs te gaan. De arts-assistent van Tergooi, die nog niet is geweest, schrijft twee keer een kalmerend middel voor. Rogier valt in slaap, maar later op de avond moet hij overgeven. De verpleegkundige vraagt of er geen hartfilmpje moet worden gemaakt. De arts-assistent zegt dat het ’s middags al is gebeurd. Rogier valt weer in slaap en de verpleegkundige die om elf uur aan zijn nachtdienst begint besluit de normale controles pas om drie uur te doen.

Om drie uur is Rogier even wakker. Hij geeft geen antwoord als de verpleegkundige vraagt hoe het met hem gaat, maar zijn blik en ademhaling zijn rustig. Hij gaat op zijn zij liggen als de verpleegkundige dat tegen hem zegt. Er worden verder geen controles gedaan. Anderhalf uur later gaat de verpleegkundige bij hem kijken en merkt dat Rogier niet meer leeft. Hij reageert nergens op. Zijn lichaam wordt al koud. De poging tot reanimatie is zinloos. De bevriende arts – hij is teruggekomen – dringt meteen aan op obductie in een ander ziekenhuis.

Geneeskunde is de wetenschap van de onzekerheid, zeggen de artsen die voor dit verhaal geraadpleegd zijn. Een goede diagnose stellen is lastig en iedere arts heeft een kerkhof. Of er bij Rogier fouten zijn gemaakt, kunnen ze niet zeggen. Dat moet het tuchtcollege beoordelen, of de rechter, als het tot een rechtszaak komt. De artsen kunnen wel vertellen hoe een diagnose tot stand komt en hoe het bij Rogier waarschijnlijk gegaan is. Het stellen van een diagnose gaat niet uit de losse pols, maar systematisch, volgens een vast en wetenschappelijk onderbouwd traject.

In het hartzakje van Rogier Mooij werd na zijn overlijden een zeldzame en vrijwel onbehandelbare bacterie gevonden

Bij pijn op de borst wordt altijd eerst aan het hart gedacht, zeker bij oudere mensen. Vernauwing van de kransslagader, een hartinfarct. Bij Rogier was zijn leeftijd misleidend. Een jongen van 21 heeft zelden iets aan zijn hart. Ook misleidend: de hoge ontstekingswaarden in zijn bloed. Die wezen achteraf op het ontstoken hartzakje, maar dat komt heel weinig voor en daarbij: dan had het hartfilmpje afwijkingen moeten vertonen en dat leek niet zo te zijn.

Een probleem met de longen lag veel meer voor de hand. Toen alle mogelijkheden waren nagegaan en de ontstekingswaarden in Rogiers bloed niet vanuit de longen te verklaren vielen, verwees de longarts de arts-assistent naar de internist. De volgende mogelijkheden bij pijn op de borst – iets met de slokdarm, de maag of de galblaas – lagen op diens terrein.

De internist werd gebeld, er werd besloten Rogier op te nemen en er werd een afspraak geregeld voor een CT-scan, de volgende morgen, want Rogier leek geen spoedgeval. En toen moet het misgegaan zijn, zeggen de artsen. Waarom werd Rogier opgenomen op de longafdeling, op naam van de longarts, als al duidelijk was dat er niets met de longen was?

Het doet een communicatiefout vermoeden, zeggen de artsen. Een systeemfout, mogelijk veroorzaakt door de fusie waaruit Tergooi ontstaan is. Wel een afdeling spoedeisende hulp in Blaricum, maar bijna geen specialisten. Of Rogier zonder die fouten nog zou leven valt niet te zeggen. Maar was hij meteen naar de locatie in Hilversum gegaan, dan had de longarts hem waarschijnlijk zelf gezien. Hij, of de internist, had misschien eerder vastgesteld dat het probleem toch in het hart zat.

Bij obductie werd in het hartzakje van Rogier Mooij 220 milliliter troebel vocht gevonden, met daarin de zeldzame en vrijwel onbehandelbare bacterie Stenostrophomonas maltophilia. Volgens het rapport van de patholoog is het de meest waarschijnlijke verklaring voor zijn dood. De hartspecialisten die voor dit verhaal geraadpleegd zijn leggen uit dat het hart door de druk van het vocht niet meer kon pompen. Dat gaat van het ene op het andere moment. Het hartzakje, een vlies om het hart heen, is niet rekbaar. Bij 200 milliliter, de kritische grens, kon het hart nog wel pompen. Bij 220 milliliter niet meer.

Was eerder vastgesteld dat Rogier een ontstoken hartzakje had, zeggen de artsen, dan had een cardioloog een punctie kunnen doen om het vocht weg te zuigen. Het blijft onzeker of Rogier het dan gered had. Een ontstoken hartzakje in dit stadium is levensbedreigend.

Wat zegt het over de voorgeschiedenis? De ontsteking kan chronisch of acuut zijn geweest. Ze kan viraal begonnen zijn en al weken gesluimerd hebben. Maanden. Jaren. Het ging al heel lang niet goed met Rogier. Hij had pfeiffer gehad en daarna bleef hij moe en lusteloos. Hij hockeyde al ruim een jaar niet meer. In het obductierapport staat dat hij twintig kilo was afgevallen. Maar wat bewijst dat? Het is heel lastig, zeggen de artsen, om een relatie aan te tonen tussen de pfeiffer en de vermoeidheid daarna en de uiteindelijke doodsoorzaak. Het zal de tuchtzaak en een eventuele rechtszaak gecompliceerd maken.

Het verhaal van Rogiers vader, Michel Mooij, begint op maandagmiddag 3 november, als hij gebeld wordt door Rogiers moeder. Ze is dan al met Rogier in het ziekenhuis. Hij gaat er meteen naartoe en hij is erbij als de arts-assistent zegt dat ze aan een klaplong denkt, en ook als daar weer aan getwijfeld wordt. Hij rijdt achter de ambulance aan naar Hilversum en blijft een poosje bij Rogier aan zijn bed zitten. Hij is blij dat er weer contact is, ze hebben elkaar door de ruzies rond de scheiding al een paar maanden niet gezien. „Achteraf”, zegt hij, „vraagt iedereen zich af waarom een stervende jongen alleen kalmerende middelen kreeg. Maar die dag was er geen paniek. Niemand heeft een stervende jongen gezien.”

Ook de bevriende arts niet die ’s avonds bij Rogier is geweest. Een hartspecialist, blijkt uit het verhaal van Mooij. Hij had geen inzage in het dossier, maar hij zou, denkt Mooij, anders gehandeld hebben als hij een stervende jongen had gezien.

Om een uur of zeven is Mooij uit het ziekenhuis weggegaan. ’s Nachts tussen halfvijf en vijf werd hij gebeld door Kevin, Rogiers halfbroer: het was niet goed met Rogier, de bevriende hartspecialist was al bij hem. Mooij belde hem onmiddellijk op zijn 06 en van hem hoorde hij dat Rogier dood was.

De maanden daarna hoorde Mooij niets van het ziekenhuis. Alles liep via de moeder, zegt hij. In april 2015 belde hij op omdat hij wilde weten wat er in het obductierapport stond. Hij kreeg het rapport en de longarts besprak met hem de bevindingen van de patholoog. Mooij had geen ogenblik het gevoel dat de longarts iets te verwijten viel. Het verbaasde hem toen hij later in de Volkskrant las dat Rogiers moeder aangifte had gedaan en een klacht bij de inspectie had ingediend. „Het heeft te maken met hoe je over de dood denkt”, zegt hij. „Vind je dat de dokter een fout moet hebben gemaakt als een jongen van 21 doodgaat. Of zeg je: mijn jongen heeft ontzettende pech gehad.”

Hij denkt wel dat er fouten bij de overdracht zijn gemaakt en dat dat moet worden uitgezocht. Voor zichzelf heeft hij bedacht dat Rogier is gestorven in een „stuntelend ziekenhuis”, maar niet dóór dat stuntelende ziekenhuis. Zijn zoon, zegt hij, had geneeskunde willen gaan studeren. De bevriende hartspecialist had hem al eens meegenomen naar een openhartoperatie.