Opinie

De politieke islam zal nooit verdwijnen, probeer er mee om te gaan

In het Midden-Oosten kan een stevige opstelling op meer begrip rekenen dan het naar de mond praten, adviseert Marcel Kurpershoek. „Het is zinloos om met salafisten in discussie te gaan over hun zienswijzen.”

In maart bracht ik een maand in Saoedi-Arabië door om een televisieserie op te nemen voor de Al Arabiya zender in Dubai. Toen ik aan twee jonge, hoog opgeleide Saoediërs vroeg: „Wat zien jullie als het grootste probleem in het Midden-Oosten?”, aarzelden ze geen moment. „Godsdienst”, antwoordden ze.

Zij waren overtuigde secularisten geworden. Maar hun nieuwe mening, zo schatten ze zelf, werd door nog geen tien procent van de bevolking gedeeld. Twintig procent van de Saoedi-Arabiërs is zeer conservatief; zeventig procent is wahhabi (zie inzet) tot op het bot. „Het kost tijd”, zeiden de twee jongemannen. De optimisten.

Niet ver van waar wij filmden, werden IS-aanhangers gedood. Ze hadden verwanten vermoord die voor veiligheidsdiensten werkten. „Waarom gaat iemand bij IS?”, vroeg ik. De redenen die ik hoorde waren: Saoediërs hebben weinig afleiding en brengen daardoor veel tijd op internet door; ze worden gehersenspoeld door de politieke islamitische ideologie; en ze hebben te maken met het latente geweld van de tribale en wahhabitische traditie.

Zonder die wahhabitische hardheid, waarbij tegenstanders werden geïntimideerd en zelfs gedood, had Saoedi-Arabië nooit onder één gezag verenigd kunnen worden. Dan waren de stammen, net als in Afghanistan, blijven vechten om de schaarse hulpbronnen. Saoediërs geven twee redenen waarom ze aan het Afghaanse lot zijn ontsnapt: de bindende kracht van hun islamitische bestel, en de olierijkdom die door de fijnmazige sociale netwerken vloeit. Het wahhabisme heeft dan misschien, ondanks onze bedenkingen, gewerkt voor Saoedi-Arabië, maar als het met subsidie van oliedollars wordt geëxporteerd, dan veroorzaakt het problemen. Als een nijlbaars bedreigt het wahhabisme oudere, lokaal aangepaste vormen van de islam in landen als Pakistan en Indonesië.

De mythe van de magische kracht van het (islamitische) geloof werd geboren toen wahhabi-stijl jihadi’s vochten tegen de Sovjet-bezetting van Afghanistan (met steun van de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Pakistan). Wat werkte tegen de Sovjet-Unie, kon ook werken tegen die andere supermogendheid. De oude pan-islamitische droom kreeg vleugels.

De politieke islam heeft een ‘tribaal’ geheugen. Bedoeïenen noemen het ‘voorouderlijk ruggenmerg’. Naar hun idee draagt iedere man alle generaties van zijn afstammelingen in zijn ruggenmerg. De salafisten kennen een geestelijke stamboom. Die ziet er als volgt uit. IS zat verscholen in de ruggengraat van al-Qaida. De jonge Bin Laden werd gerecruteerd door de Moslimbroederschap. De Egyptische Moslimbroederschap was opgericht door Hasan a-Banna. Deze oprichter werd geïnspireerd door Rashid Rida – een ideoloog die partij koos voor de wahhabieten. Rida werd aangestoken door Jamaladdin al-Afghani, ‘de Afghaan’, die rond 1880 het pan-islamisme lanceerde als reactie op het oprukkende kolonialisme. De wahhabitische beweging begon rond 1750. De leermeester van de wahhabitische salafisten was de 13e eeuwse theoloog Ibn Taimiyya die het volk mobiliseerde tegen de Mongoolse invasie. Mocht dat lang geleden lijken; op de boekenbeurs van Riad zag ik dertig jaar geleden meer Ibn Taimiyya’s over de toonbank gaan dan enig ander boek.

De salafisten (zie inzet) kwamen uit de mantel van de negende eeuwse Ibn Hanbal, de vader van een van de vier soennitische wetscholen. Hij vestigde zijn leer op de overlevering van ‘de vrome voorvaderen (salaf)’. Salafi’s hebben één ding gemeen: hun haat tegen de shi’ieten. Vooruitgang kan alleen achteruit, menen zij. Ze willen de islam ‘hervormen’, dat wil zeggen: in zijn onbezoedelde zuiverheid herstellen.

Terecht worden vreedzame salafisten onderscheiden van jihadi’s, maar veel agressief onverdraagzame groepen bogen op een salafistische achtergrond. Onverdraagzaamheid zit in hun genen. In eigen omgeving is ieder zijn broeders hoeder: waar kan door te overtuigen met argumenten, zo nodig door af te dwingen met geweld. Het leven van de salafisten speelt zich af in groepsverband. Zo moet het islamitisch gebed vijf keer per dag gemeenschappelijk in de moskee plaatsvinden. Wie zich eraan onttrekt, pleegt een zware zonde en moet met alle middelen tot de orde worden geroepen. De Moslimbroeders hebben hun partijdiscipline dus niet van vreemden.

Vergeleken met al-Qaida en IS zijn salafisten gematigd. IS doet meer denken aan de Kharidjieten, de extremisten van de vroege islam. Zij bezigden de ‘religieuze moord’: een aspirant-lid kon zich bewijzen door een krijgsgevangene aan stukken te snijden. Kinderen van de tegenstander werden gedood, hun vrouwen werden buitgemaakt. Zondaars werden gedood, afvalligen werden samen met vrouw en kinderen vermoord. Uiteindelijk weken zij uit naar de Golf en Afrika.

De overlevingskans van IS in Irak en Syrië lijkt gering. IS staat te ver af van de islamitische tradities in die gebieden. Maar hun manier van oorlogvoeren en hun slim gebruik van sociale media kan de opmaat zijn voor de vijfde generatie radicale salafisten.

Hoe moet ons beleid eruit zien ten aanzien van de politieke islam? Veel sociale en politieke factoren zijn structureel en hebben niet direct te maken met religie. Hier een aantal overwegingen en aanbevelingen:

- Armoede hoeft op zich geen voedingsbodem voor extremisme te zijn. Maar in de leegte die een staat in verval achterlaat, kunnen Taliban, al-Qaida en IS hun slag slaan.

- Het religieus onderwijs is gebaseerd op het uit het hoofd leren van de Koran en de traditieverzamelingen van de profeet, de soenna. Het stoomt kinderen klaar voor martelaarschap. Maar ook de staatsscholen in landen als Egypte en Pakistan doen weinig om kinderen een kans te geven op de arbeidsmarkt. In Pakistan gaan 25 miljoen kinderen niet naar school – zij lopen grote kans door extremisten te worden geronseld.

- De bevolkingsgroei is uit de hand gelopen. Vijfendertig jaar geleden telde Syrië acht miljoen inwoners. Sindsdien is dat aantal verdrievoudigd tot drieëntwintig miljoen. Privatisering heeft de heersende kliek verrijkt en de rest verpauperd. Lange tijd hielden de Syrische president Al Assad en de Iraakse Baath partij de mensen koest met onder meer subsidies, maar dat ‘sociale contract’ is in de uitgestrekte sloppenwijken opgebroken. Ten slotte hebben droogte en belabberd watermanagement de soennitische massa’s van het land naar de steden doen verhuizen. Het was te voorspellen dat zij zich aangetrokken voelden door een islamitische identiteit die vijandig staat tegenover de shi’itische islam en het secularisme van de Baath-partij. Die identiteit geeft nog enige waardigheid en richting aan het leven. Sociale rechtvaardigheid staat hoog in het vaandel van de Moslimbroeders.

- Sommige aannames waarop ons buitenlands beleid is gebaseerd, zijn niet meer geldig. Tientallen jaren lang heeft ontwikkelingshulp enorme bedragen gestort in Jemen. Ongetwijfeld diende dit een politieke behoefte aan onze kant. Maar achteraf lijkt het geld weinig rendement te hebben opgeleverd. Elementaire voorwaarden voor politieke stabiliteit en duurzame ontwikkeling waren niet aanwezig. Ali Abdullah Saleh was 21 jaar president van Jemen, een van de armste landen. Hij zelf is een van de rijkste Arabische potentaten met een fortuin van 60 miljard dollar. Waarom zouden we Nederlands belastinggeld aan deze krankzinnige toestand spenderen? En nu gebruikt Saleh de gestolen miljarden om zijn oorlog in Jemen te financieren. Tel uit je winst.

- Lange tijd onttrok de Israëlisch-Palestijnse kwestie nog grotere problemen in het Midden-Oosten aan het oog. Dictators als Nasser, Assad, Saddam Hussein, Gadaffi en de Iraanse molla’s wedijverden in het poseren als kampioen van de Palestijnse zaak. Het verleende hun dictatuur legitimiteit. Dat spel is opgedoekt. Syriërs en Irakezen koesteren Assad en Saddam Hussein niet in dankbaarheid voor hun opstelling tegen Israël. Het Israëlisch-Palestijnse conflict is nu een van de kwesties geworden – en niet langer de Midden-Oosten kwestie. De shi’itische-soennitische confrontatie die begon met de Iraanse revolutie dreigt nu het hele Midden-Oosten in vlam te zetten.

- In het Midden-Oosten kan een stevige opstelling op meer begrip rekenen dan het naar de mond praten uit vrees de ander te mishagen. Westerse landen hebben het recht om de import van discriminerend, haatzaaiend materiaal te weren. Vaak komt dat materiaal uit landen die zelf een groot probleem hebben met extremistische groepen. We mogen van de regeringen daar verwachten dat ze daarin met ons samenwerken.

- De Amerikaanse president Obama heeft een nieuwe trend ingezet. Grootspraak over het Midden-Oosten behoort tot het verleden. Dit gebied op koers zetten naar een Westers niveau van ontwikkeling gaat onze vermogens te boven. Onze acties moeten defensief zijn. Om erger te voorkomen. En met als doel burgers te beschermen tegen grootschalige oorlogsmisdaden en foltering, zoals die van het Assad-regime. Bedenk daarbij: de Moslimbroeders worden niet moe het Koranvers te herhalen: ‘God helpt een volk niet dat zichzelf niet helpt’. Waarom zouden wij het anders zien? Minder afhankelijkheid van energiebronnen in het Midden-Oosten kan een zegen zijn – uiteindelijk ook voor het gebied zelf. Dus geen hulp zonder solide voorwaarden vooraf. De sociale en politieke context moet in orde zijn.

- Salafisten zijn per definitie reactionair. Het is zinloos om met hen in discussie te gaan over hun zienswijzen. Vrouwenrechten, vrijheid van meningsuiting en geloofsovertuiging, rechten van minderheden – er is geen beweging in te krijgen. Liberale en seculiere tegenstanders een hart onder de riem steken, is belangrijk, maar weet wel dat het de salafisten alleen maar grimmiger zal stemmen. Voor de salafist bevestigt dat zijn gelijk en waarom het Westen de vijand is.

- De ergste fout die gemaakt kan worden, is steun aan een seculiere dictator die in oorlog verkeert met grote groepen burgers. Iedere vorm van steun aan een dictator die welke groep dan ook onderdrukt, of het nu om een seculiere of salafistische beweging gaat, is contraproductief. Het gooit olie op het vuur en verdiept de tegenstellingen. Wij raken verstrikt in tegenstrijdigheden als we deze dictators steunen in hun strijd tegen de politieke islam.

Laten we ons kortom bewust zijn van onze beperkingen in het Midden-Oosten – en dat moeten we niet verwarren met misplaatste bescheidenheid. We moeten onze beslissingen baseren op nauwkeurige kennis en analyse. Dat voorkomt overspannen verwachtingen die later overgaan in ontmoediging, zoals tijdens de ‘Arabische lente’. De politieke islam zal niet verdwijnen. Zij kan alleen in haar context worden begrepen. Dat moet het uitgangspunt zijn voor realistisch beleid.