De Duitse baksteen biedt houvast

In het nieuwe jaarboek van de Nederlandse architectuur wordt een nieuwe trend gesignaleerd: traditionalisme van Duitse snit heeft voet aan de grond gekregen in de Nederlandse architectuur.

(boven) enHet Timmerhuis van OMA in Rotterdam.

De grote afwezige in Architectuur in Nederland. Jaarboek 2015/2016 is de Couch, zoals de ontwerpers van MVRDV het nieuwe clubgebouw van de Tennisvereniging IJburg in Amsterdam hebben gedoopt. Hoewel dit even bescheiden als spectaculaire, knaloranje clubhuis met een gebogen dak dat tegelijkertijd tribune en theater is, een van de beste gebouwen uit het architectuurseizoen 2015/16 is, ontbreekt het in het jaarboek met de dertig best practices zoals de vierkoppige redactie het jaarlijkse overzicht van de recente Nederlandse architectuur zelf omschrijft.

Een echte verrassing is het ontbreken van het charmante clubhuis niet. In het jaarboek van drie jaar geleden kondigde dezelfde redactie – elke vijf jaar treedt er een nieuwe aan – immers het einde aan van de ‘conceptuele’ Superdutch-architectuur en daarvan is het werk van MVRDV een exponent. De economische crisis, die in 2008 was begonnen en de werkgelegenheid bij Nederlandse architectenbureaus halveerde, zou een einde maken aan de ‘conceptuele’ iconen, voorspelde Linda Vlassenrood toen in een van de vier essays, die naast dertig ‘projectbeschrijvingen’ in woord en beeld altijd deel uitmaken van het jaarboek. Om de uitkomst van de voorspelling te bespoedigen waren de Boekenberg in Spijkenisse en de Glazen Boerderij in Schijndel, twee buitengewoon geslaagde ‘iconen’ van MVRDV, alvast niet opgenomen in het jaarboek van 2013.

Toch bleek de aankondiging van het einde van de conceptuele architectuur voorbarig. Ook na 2013 zijn er tal van ‘iconen’ gebouwd in Nederland. Sommige, zoals het nieuwe Centraal Station van Rotterdam, waren zo onontkoombaar dat ze zelfs, tegen heug en meug, in de jaarboeken werden opgenomen. Ook in de meest recente aflevering staan er weer minstens vier: het Timmerhuis van Rem Koolhaas’ OMA, zoals de glazen ‘pixelberg’ van kantoren en appartementen achter het stadhuis in Rotterdam officieel heet, het Hiltonhotel met zijn opvallende ‘pixel’-gevel van Mecanoo op Schiphol, het nieuwe Arnhemse Centraal Station van UN Studio met zijn spectaculaire welvingen en de neotraditionele Landmark, een uitkijktoren met paviljoen van Monadnock in Nieuw-Bergen.

Hergebruik

Bij de verschijning van de vorige editie liet de redactie weten dat voor het eerst in de bijna dertigjarige geschiedenis van het jaarboek nieuwbouw in de minderheid was. Hiermee leek de sinds het crisisjaar 2008 vaak gehoorde voorspelling bewaarheid te worden dat het na het uiteenspatten van de vastgoedbubbel in de Nederlandse architectuur voortaan vooral zou gaan om hergebruik van oude gebouwen. Maar te oordelen naar het nieuwe jaarboek is deze trend alweer voorbij: verbouwingen en uitbreidingen van oude gebouwen, zoals Schouwburg de Kampanje in een oude ketelmakerij in Den Helder van Van Dongen-Kosuch, zijn ver in de minderheid.

Ook de vaststelling van redactielid Hans van der Heijden in het jaarboek van 2014 dat de Nederlandse traditionalistische architectuur van Sjoerd Soeters en anderen oppervlakkig is en armzalig afsteekt tegen het ernstige Duitse traditionalisme van architecten als de ook in Nederland veel bouwende Hans Kollhoff is nu alweer achterhaald, als we twee van de vier essays moeten geloven. Het Belgische redactielid Tom Avermaete stelt in ‘De architectuur van de commons. Naar een nieuwe definitie van het architectuurproject’ vast dat het in bijvoorbeeld de Landmark van Monadnock in Nieuw-Bergen niet meer gaat om ‘instant beeldkwaliteit’ maar ‘om een gesofisticeerde relatie met het verleden en de toekomst’. Met veel omhaal van woorden weet hij het begrip traditionalisme, dat in de Nederlandse architectuur nog altijd besmet is, te vermijden, maar het is zonneklaar dat hij gewoon een goede omgang met de traditie bedoelt als hij schrijft dat de toren in Nieuw-Bergen ‘activeert wat de Franse filosoof Paul Ricoeur een drievoudige tegenwoordigheid noemde: hij articuleert een omgang met de tegenwoordigheid van het verleden, de tegenwoordigheid van het heden en de tegenwoordigheid van de toekomst.’

Explicieter en duidelijker is de Volkskrant-critica Kirsten Hannema, hoewel ook zij in haar bijdrage het begrip traditionalisme angstvallig vermijdt. In de ‘postmoderne conditie waarin wij leven’, zo schrijft ze, is er geen ‘leidende theorie’ in de architectuur meer ‘en kun je bouwen in elke stijl die je wilt, in elke denkbare vorm, kleur en materiaal.’ Maar deze onbeperkte vrijheid kan ook belemmeren, zo legt ze uit, en dus krijgen steeds meer (jonge) architecten belangstelling voor het werk en de werkwijze van vergeten twintigste-eeuwse traditionalisten als de katholieke Bossche-Schoolarchitect Jan de Jong en Giovanni Muzio, prominent architect in het fascistische Italië. Bij haar stuk staat zelfs een foto van het Gartenhaus van Goethe in Weimar, dat de Duitse traditionalist Paul Schmitthenner beschouwde als het archetypische Duitse huis. „Het spelen met ‘regels’ als proportie en patronen kan houvast bieden”, aldus Hannema.

De herontdekking van het 20ste-eeuwse traditionalisme gaat gepaard met een belangstelling voor de goede, oude baksteen en metselverbanden, zo laat Hannema ook zien. Niet alleen verschenen onlangs twee Nederlandse boeken over het gebruik van baksteen in hedendaagse architectuur, maar ook passen steeds meer architecten gevarieerd metselwerk toe in hun werk. Met onder meer de Tugelablokken van M3H Architecten en het Noorderparkbad van de Architekten Cie., allebei in Amsterdam, laat het jaarboek zien dat het ‘serieuze’ neotraditionalisme van Duitse snit nu ook in Nederland voet aan de grond heeft gekregen.