Opinie

Het is stil in Amsterdam... en de rest van Nederland vindt het prachtig

Van Kerkrade tot Groningen klonk gejuich toen de godenzonen van Ajax de kampioenstitel misliepen. Het is ze gegund, schrijft Auke Kok. „Nederland is blij dat het helemaal niks is in Amsterdam, omdat het daar juist alles is.”.

‘Iedereen moet zijn mond houden en gewoon voor Ajax blijven.” Je moest wel Mr. Ajax zijn om de kwestie zo volmaakt te kunnen verwoorden. Onbedoeld, mag je aannemen, maar juist daarom troffen de woorden van Sjaak Swart doel. De vroegere rechtsbuiten van het zogenaamde Gouden Ajax spuwde zijn gal over de vreugde op veel plekken in Nederland toen de godenzonen in de laatste wedstrijd het kampioenschap misliepen.

In Swarts eigen tijd, jaren zestig, juichte hooguit heel Rotterdam als Ajax een wedstrijd verloor waar Feyenoord niet eens aan meedeed. Nu gingen de handen van Kerkrade tot in Groningen omhoog toen Ajax niet kon winnen van De Graafschap. Want die ellendige Amsterdammers, die dikke nekken, die arrogante, overbetaalde, door de massamedia altijd weer opgehemelde verwaande kwasten uit de hoofdstad kregen een draai om de oren. En dat was lekker.

Ook in Utrecht, waar de eigen ‘FC’ bezig was hopeloos te verliezen van AZ, veerde het publiek vrolijk op toen De Graafschap de voor Ajax fatale gelijkmaker produceerde. Dat was in Doetinchem: home van de boeren, ver van de Randstad, in de Achterhoek waar de mensen, helaas voor Sjaak Swart, niet ‘gewoon’ voor Ajax zijn.

Dat wil zeggen: voor zover aanwezig in het Doetinchemse stadion De Vijverberg. Ook in oostelijk Nederland wemelt het tegenwoordig van de Ajax-fans en juist daarom zijn de aanhangers van De Graafschap nu meer anti-Ajax dan vroeger. Het is Ajax wat de klok slaat en dat wringt.

Het is de paradox van het fenomeen Ajax, of zeg maar van Amsterdam: alom tegenwoordig en als gevolg daarvan gehaat. In Brabant wonen meer geregistreerde Ajax-fans dan PSV-fans: niet leuk voor Eindhoven, de stad waarmee niemand buiten Oost-Brabant zich wenst te associëren.

In de jaren zestig was Ajax niet eens de club van Amsterdam, hooguit van Amsterdam Oost; elders in de stad gingen voetballiefhebbers naar de volksclubs DWS of Blauw-Wit - niet naar die middenstandsvereniging in de Watergraafsmeer. Nu is Ajax door de vele internationale successen en door de rol van de massamedia qua uitstraling zo’n beetje de enige Nederlandse club die in het buitenland iets losmaakt. Pijnlijk vaak hebben PSV-fans op vakantie achterin de taxi al moeten uitleggen dat de beroemde Ruud Gullit nooit bij Ajax heeft gevoetbald, maar bij — bij what? comment? Entschuldigung? — PSV.

De commercie heeft de jaloezie net zo versterkt als het imago van Ajax en de stad Amsterdam. Tot de opening van de Arena gold Ajax als de club van de talenten en PSV als de club van het geld (Philips). Maar sinds 1996 is Ajax de rijkste Nederlandse club, die jonge spelers ‘koopt’ zodra die in de provincie iets aardigs verrichten. Overal in het land moedigen fans dus spelers aan die dromen van de Arena; dat weten die fans donders goed.

Parallel daaraan trekken jonge kunstenaars en artiesten naar Amsterdam omdat ‘het’ daar nu meer gebeurt dan voorheen. Uitgeverijen, massamedia, grote ondernemingen willen naar of zitten al in Amsterdam. De cabaretier en verstokte PSV-fan Theo Maassen glunderde maandag in De Wereld Draait Door — in Amsterdam dus, waar de studio’s staan, onder meer omdat de bekende Nederlanders daar vlotter naar toe komen dan naar het dorre Mediapark in Hilversum. De redactie van deze krant verhuisde om gelijksoortige redenen van Rotterdam naar Amsterdam: dichter bij het inspirerende zenit van cultuur, media en kunsten.

In DWDD verbeeldde Maassen een leedvermaak dat breed leeft. Het feit dat PSV’s kampioenschap niet te danken was aan een fonkelende inhaalrace van de Eindhovenaren, maar aan een wanprestatie van 020, maakte zijn plezier er duidelijk groter op. Falen door Ajax lijkt voor veel PSV’ers minstens zo leuk te zijn, zo niet leuker, dan fraai spel van PSV. De voeding is haat. Afgunst. Lekker puh! roepen naar de presentator die uiteraard voor Ajax is: daar gaat niets boven.

Dat in een programma als dit de problemen van Ajax nogal eens worden behandeld als nationale kwesties, maakt het nog mooier. Op het rode shirt van Maassen prijkte de naam Philips — terwijl de hoofddirectie van de onderneming die de Philips Sport Vereniging al zo lang steunt, reeds bijna twintig jaar in de stad zit waarvan we de naam maar niet zullen noemen. Tot frustratie van de bakermat Eindhoven uiteraard. Onder de blijdschap van Maassen gistte het Calimerogevoel van Brabant.

Sinds Ajax bespeler is van het fotogenieke — maar in feite kille — stadion Arena maakte de stad Amsterdam een metamorfose door. Kort gezegd: van een arme stad vol problemen naar een stad waar het geld niet aan te slepen is. Burgemeester Eberhard van der Laan refereert er vaak aan: in zijn periode als voorzitter van de PvdA-gemeenteraadsfractie (1993-1998) ging Amsterdam met de pet rond bij de groeisteden in de provincie; nu komen die steden met de pet naar hem. Mede dankzij een gewiekste city marketing brengt het etiket ‘Amsterdam’ wereldwijd inmiddels meer te weeg dan ‘Nederland’. De breed levende ergernis van Amsterdammers over hondenpoep heeft al lang plaats gemaakt voor klachten over de vele toeristen en kinderbakfietsen. Iedereen wil erbij horen, van de miljoenen bezoekers tot gezinnen met jonge kinderen; al is het maar voor even. Bij een betrekkelijk schone, welvarende, groene stad met een schitterend zeventiende-eeuws centrum, bevolkt door relatief hoogopgeleide mensen. Bij een stad waar Geert Wilders ondanks de vele allochtonen geen poot aan de grond krijgt.

Alle reden voor Wilders om stemmen te trekken met een afkeer van de grachtengordel. In dorpen als Volendam scoort zijn PVV goed: in dorpen waar iedereen die een kamer wil verhuren adverteert met de woorden ‘near the famous old city of Amsterdam’. Tandenknarsend zien de inwoners van Zandvoort hun dorp veranderen in Amsterdam by the sea. En ze leven ervan. Keerzijde van de tendens: voor de prijs van een vrijstaand huis in Zandvoort koop je nu aan de Keizersgracht hooguit een bovenwoning.

De Amsterdammers zuchten niet onder huizen die financieel ‘onder water’ staan vanwege waardedalingen, zoals in Limburg, Groningen, Zeeland en, wie weet, De Achterhoek. Integendeel: dankzij een combinatie van de trek naar de stad (een mondiaal verschijnsel) en de beperkte bouwmogelijkheden raakt de hoofdstedelijke huizenmarkt oververhit. De prijzen zijn er even hoog als de Breitnertoren waar de CEO van Philips zijn internationale gasten laat genieten van het uitzicht. „There you see the Arena.” „O yes, I read in The Guardian they want to call it the Johan Cruyff Stadium. Good idea!”

Amsterdam lacht, waar het eens heeft gehuild. Popartiesten die optreden in de GelreDome willen in het Amstel Hotel logeren. Liever ’s avonds laat nog over de A12 dan een after party in Arnhem. Het eeuwenlang gekoesterde idee van landelijke spreiding, dat typisch Hollands heette, maakt plaats voor Amstelcentrisme. Zo krijgt de stad trekken van Londen en Parijs: te duur voor gewone mensen, mikpunt van woede die aanschurkt tegen — of voortkomt uit — een minderwaardigheidscomplex. „Helemaal niks in Amsterdam” – de gewone mensen brulden het heerlijk van zich af in de voetbalstadions.

Wie geen fan is van Ajax haat Ajax. Wie niet in Amsterdan kan wonen, haat Amsterdam. Foto’s van de al versierde huldigingsbus van Ajax leidden zondagavond tot euforische genoegens. Trainer Frank de Boer die gefotoshopt geen kampioensschaal vasthoudt, maar een reusachtige pannenkoek: yes! Hilarische filmpjes over de hooghartigheid van de bekendste club van Nederland raasden door de provincie. Het is de mensen gegund. In de hoofdstad zitten slechts weinigen ermee. Daar klinkt het: Nederland is blij dat het helemaal niks is in Amsterdam, omdat het daar juist alles is.