Wandelen in Hollywoods dakgoten

Machtswellust, wansmaak, broedertwisten, moord en zelfmoord, verslaving aan alcohol en psychiatrie. Vijf familiegeschiedenissen stemmen de lezer tevreden dat zijn wieg niet stond tussen de glamour en glitter van celebrities.

De ondertitel van dit boek is An American Place, maar het zou even goed ‘een studie over disfunctionele families’ kunnen zijn, of, iets meer marktgericht, ‘geld maakt inderdaad niet gelukkig’. Welke die ‘American Place’ is maakt het omslag al meteen duidelijk: het iconische Hollywood-sign, maar dan gespiegeld, en een beetje onheilspellend nageschilderd.

Jean Stein voert in haar boek vijf families op die hun fortuin maakten in Los Angeles in de eerste helft van de vorige eeuw. Allereerst zijn daar de Doheny’s, nakomelingen van Edward L. Doheny die een megafortuin vergaarde met oliewinning in het zuiden van Californië en Mexico, maar ten val kwam toen hij in Washington probeerde wat hem in Mexico wél was gelukt: de machthebbers om te kopen.

De volgende vier familiegeschiedenissen hebben alle in verschillende mate te maken met de opkomst van de filmindustrie. Natuurlijk is er een hoofdrol weggelegd voor Jack Warner, grondlegger van Warner Bros, ‘een monster’ in de woorden van de (huidige) platenbaas en producer David Geffen, die later Warners gigantische huis zou kopen. Dat oordeel wordt hier onderschreven door Arthur Miller die vooral Jacks ‘ijdelheid en grove vulgariteit’ noemt.

En dan is er de saga van Jennifer Jones, een actrice die haar carrière probeerde te promoten door een tweede huwelijk aan te gaan met producer David Selznick. David aanbad haar, maar hun beider dochter, Mary Jennifer, had een voorkeur voor wandelingen in hooggelegen dakgoten. Uiteindelijk besloot ze toch maar naar beneden te springen. Jones’ zoon uit een later huwelijk schoot zichzelf door het hoofd maar koos de locatie voor die handeling zorgvuldig uit: in een kast boven zijn slaapkamer, zodat hij ervan verzekerd was dat het bloed omlaag zou druppelen op de lakens van het echtelijk bed.

Steenrijke familie

Het hoofdstuk over de onbeminde Jane Garland is wat minder spectaculair, en niet alleen omdat zij geen familie van Judy blijkt te zijn. Maar het is misschien triester dan welk ander verhaal ook: het gaat hier over een steenrijke familie met een getroebleerde dochter voor wie levenslang toneelstukjes worden opgevoerd door betaalde jonge mannen die haar vrienden moeten spelen. Als ze vindt dat ze te weinig aandacht krijgt ramt ze een ijspriem door haar hand, om daarmee vervolgens haar vagina te betasten.

En ten slotte voegt Jean Stein een scheut autobiografie toe in het relaas van haar eigen familie, te beginnen met Jules Stein, een kleinsteedse impresario die het met zijn bedrijf MCA schopte tot een van de belangrijkste ondernemers in Hollywood.

Het zijn verhalen waarin, naast de genoemde elementen, machtswellust, wansmaak en sociopathie de rode draden zijn. Ook in het vervolg van deze familiegeschiedenissen vallen de bizarre overeenkomsten op: broedertwisten, moord en zelfmoord, verslaving aan alcohol en psychiatrie en tenslotte verval, toen de macht van de grote Hollywood-moguls langzaam taande.

Vele van de schandalen waren voer voor de Californische roddelbladen. De moord/zelfmoord van Ned Doheny, Edwards zoon en diens vriend Hugh Plunkett hield Los Angeles jarenlang bezig. Geruime tijd wist de Doheny-familie het drama zo te fabriceren dat de jaloerse Plunkett de dader was, maar Stein komt, middels de door haar verzamelde getuigenissen tot de vrij overtuigende conclusie dat beide mannen een homoseksuele relatie hadden die uiteraard geheim moest blijven, en dat Doheny de dader was.

Een ander geruchtmakend voorval was de getuigenis van Jack Warner ten tijde van de anti-communistische heksenjacht in Hollywood. Warner getuigde in 1947 voor het House Un-American Activities Committee en noemde (evenals Ronald Reagan overigens) vele namen van wat hij ‘ideologische termieten’ noemde. Hij vernietigde daarmee de levens en carrières van velen, maar was daar alleen kort na zijn optreden wat over in de war. ‘Ik deed het niet zo goed, hè? Ik had geen namen moeten noemen. Ik was een schmuck.’

Oral history

Jean Stein beschrijft hun Werdegang volgens de oral history-methode die ze eerder hanteerde in boeken over Robert Kennedy en actrice Edie Sedgwick, een van Andy Warhols superstars met wie het ook al uitermate tragisch afliep. Maar in die beide boeken kreeg ze redactionele hulp van journalist en schrijver George Plimpton, en die wordt hier node gemist.

De vijf verhalen worden verteld door telkens een bonte verzameling familieleden, psychiaters, vrienden, nazaten en prominente toeschouwers als Arthur Miller, Gore Vidal, Dennis Hopper en Lauren Bacall. (Dat deze beroemdheden allemaal inmiddels zijn overleden verraadt overigens iets over het ontstaansproces van dit boek: een deel ervan verscheen al achttien jaar geleden in The New Yorker. )

Die methode werkt niet altijd even goed. De lezer wordt, vooral in het begin, enigszins tureluurs van de over elkaar heen tuimelende getuigenissen die elkaar soms tegenspreken en letterlijk zijn genotuleerd. Soms is nauwelijks duidelijk wie aan het woord is en moet de lezer vooruit bladeren naar een register, dat overigens niet helemaal betrouwbaar is. Vaak lijkt er eerder sprake van luiheid dan van een bewust gehanteerde methode; ‘laat de lezer het zelf maar uitzoeken’ lijkt de auteur te zeggen en dat mag een in de literatuur soms te respecteren uitgangspunt zijn, voor een journalistiek-historisch werk als dit is dat moeilijk te aanvaarden.

En toch, als je eenmaal aan de methode gewend raakt, kun je de vijf geschiedenissen ook lezen als enigszins onorthodox geschreven novellen over de voor die tijd en plaats zo kenmerkende grootheidswaan en vulgariteit, glitter en tragedie; in die zin is het boek een fraaie aanvulling op Kenneth Anger’s Hollywood Babylon. En ook op het oeuvre van Ring Lardner, Raymond Chandler, Nathaniel West en James Ellroy. Met dit verschil dat het, hoe bizar ook, allemaal echt gebeurd is.