Column

Vleugje megalomanie

Op een internationaal documentairefestival in de bioscoop van het Kapucijnenklooster in mijn woonplaats Genua zag ik eergisteren de film The Chinese Mayor. In deze documentaire uit 2014 van Zhou Hao wordt Geng Yanbo gevolgd tijdens zijn ambtsperiode als burgemeester van Datong. Deze stad was ooit in een glorieus verleden de westelijke hoofdstad van het keizerrijk, maar behoort inmiddels tot de meest vervuilde en verarmde steden van China. Burgemeester Geng heeft grootse plannen. Hij wil de oude muren herbouwen omdat de toekomst van de stad in zijn visie is gelegen in cultuur en toerisme. Het is een gigantische operatie waarvoor hij de huizen van een half miljoen inwoners moet onteigenen en slopen. Een half miljoen inwoners moeten worden geherhuisvest in een gloednieuwe wijk een paar kilometer verderop. Voor de meeste inwoners is dat overigens op zichzelf al een aanzienlijke verbetering. Maar voor burgemeester Geng gaat het om de toekomst van de stad. „Deze muren kunnen we niet eten, maar ze zullen ons in de eeuwen die komen te eten geven. Cultuur is de ziel van onze stad. We zullen geschiedenis schrijven en de geschiedenis zal ons geen tweede kans geven.” Voordat burgemeester Geng zijn project kan voltooien, wordt hij om onduidelijke redenen door het centraal orgaan van de partij overgeplaatst.

Er kan geen twijfel bestaan over de goede bedoelingen van deze politicus. Hij wil werkelijk het beste voor zijn stad en haar inwoners en heeft daar een visionair en moedig plan voor bedacht. Evenmin kan er enige twijfel bestaan over zijn megalomanie. Hij wil zelf geschiedenis schrijven. „Ik word ervoor betaald om een brave overheidsfunctionaris te zijn,” zegt hij, „maar ik wil een erfgoed nalaten.” Deze ambiguïteit maakt de film goed.

Maar mij overviel na afloop een andere gedachte. Ik werd bijkans bevangen door jaloezie. Want ongeacht de vraag of burgemeester Geng gekenmerkt wordt door visie of grootheidswaan of beide, is er nauwelijks een groter contrast denkbaar met onze eigen politici. We worden geregeerd door een premier die heeft gezegd dat hij visie een vies woord vindt. Idealen zijn voor hem als een olifant in de kamer die het zicht ontneemt op het bloemetjesbehang. De toekomst is in ons politiek bestel hopeloos uit de mode geraakt. Pragmatiek is ons grootste goed en we laten ons sturen door incidenten. Onze politici willen niets liever dan brave overheidsfunctionarissen zijn, maar ze slagen daar zelfs niet in omdat ze voortdurend in paniek zijn vanwege de peilingen. Wat het meest van al ontbreekt in ons politieke debat, zijn moed en visie. Zelfs een vleug megalomanie zou ik al een enorme verademing vinden in het verstikkende klimaat van tja en beletsels, procentpunten en koopkrachtplaatjes, waarin we alles het liefste zo’n beetje laten voortmodderen zoals het gaat, want we wonen toch in het mooiste land ter wereld, nietwaar? Waarom zouden we iets veranderen? Ergens iets aan doen maakt het bijna altijd erger. Kijk maar naar die persoonsgebonden budgets en al die ellende bij de belastingdienst.

Nu zeg ik niet dat we onmiddellijk de stadsmuren van onze historische binnensteden moeten herbouwen, al zou dat helemaal geen slecht idee zijn. Maar met al onze wind en water zijn we uit gebrek aan moed en visie niet eens koplopers in duurzame energie. We boren nog steeds gas in Groningen. We hebben nog steeds niet bedacht wat we met al die vluchtelingen moeten in onze vergrijzende samenleving. We hebben geen flauw idee over onze toekomst en zijn te bang om daar over na te denken.