Rijles

Twintig jaar te laat begon ik dan toch met rijlessen. Ik was daar al wel vaker aan begonnen, maar nog nooit zo serieus als nu. De voorlaatste keer had ik les gehad van een stevig ruikende Amsterdammer op leeftijd die consequent in de we-vorm sprak.

„Waar kijken we in voor we richting aangeven?”

„Wat zien we dan?”

„We gaan rechtsaf.”

Ik was dan wel volwassen, maar werd behandeld als een puber. Naast me zat een vieze oom die zijn fantasieën de vrije loop liet. „Kijk, een lekker wijf!”, zei hij dan. „Dat zien We graag. Daar mogen We de spiegel ook best voor gebruiken.”

Als we lang stil stonden zei hij: „Dat heet file, daar leren We lekker van schakelen.”

Er kwam een dag dat ik zei dat ‘We’ er geen zin meer in hadden, waarop hij zeker wist dat Wij daar nog wel eens spijt van zouden krijgen want hoe ouder We werden, hoe moeilijker We iets konden aanleren.

Ik moest daar toen om lachen. Mijn vader leerde rijden na zijn vijftigste en slaagde in een keer voor zijn rijbewijs. Hoe dat kon wist niemand, want hij kon niet autorijden. Hij had een voorkeur voor ‘rustige weggetjes’, pas aan het eind van zijn leven ontdekte ik dat hij daar fietspaden mee bedoelde. Ik zat naast hem toen we naar ziekenhuis Rijnstate reden waar mijn moeder na een hartaanval was opgenomen en hij zich toeterend een weg baande door plukjes scholieren op de Schelmseweg tussen Velp en Arnhem.

Met ‘rustige weggetjes’ bedoelde hij fietspaden

Nooit een verkeersboete, nooit een ongeluk.

Ik moest aan hem denken toen ik dit jaar dan weer begon, dit keer onder de bezielende leiding van een Surinaamse. Ik kwam stotterend op gang, zo deed hij het ook.

Twintig weken later heb ik al veel geleerd.

Dat je in het casino van Paramaribo gratis kunt eten en drinken, waar je de beste rotikip kunt kopen, dat familie het belangrijkste is van allemaal en vooral de zin ‘Bij geen gehoor: rechtdoor’.

De vrijdagochtenden verlopen volgens een vast patroon: na de afslag Zaandam komen we in ‘examengebied’ waar ik de hele tijd in spiegels moet kijken, maar waar nooit wat aankomt.

En daarna halen We ‘de volgende’ op.

‘De volgende’ was vaak dezelfde.

Vorige week zei hij voor we weg reden dat het voorlopig zijn laatste les zou zijn, waarna we de straat uit stuiterden. Ik had het gevoel alsof ik iemand had ingehaald.