Op de valreep vindt de bejaarde een groep waar hij bij hoort: de krakers

Wanneer gaat verzameldrift over in verzameldwang? Wanneer is iemand die markten afstruint geen verzamelaar meer, maar een patiënt? Op tv zie je ze soms, de mensen die geen afstand kunnen doen van hun spullen, en hun huis zodanig hebben volgestouwd dat er nog maar een minimaal looppad is overgebleven.

Over zo’n hoarder, en de bijbehorende psychische complexen, gaat het in Aantekeningen van een hulpweigeraar, het romandebuut van Rogier Vogelenzang. De droevige geschiedenis speelt zich af in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Omdat de 70-jarige patiënt zelf steeds aan het woord is, wordt pas geleidelijk duidelijk wat er met hem en zijn woning aan de hand is.

Er is wel even terloops sprake van stapels lege melkpakken, muizen en bromvliegen, en van buren die komen klagen, maar voor hoofdpersoon Albert zijn dit onbeduidende randzaken. Wel heeft hij het in zijn aantekeningen vaak over zijn vrouw. Zij is dement en bedlegerig en zwijgt in alle talen. ‘Als Hanni beter is’, zo neemt hij zich voor, gaan ze eens flink opruimen. Af en toe wordt ons een iets scherpere blik gegund in de bovenwoning aan de Amsterdamse Dusartstraat – als er iemand van de politie of de gemeente aanbelt. Dan is er sprake van stank en schimmel en vuilniszakken die niet buiten worden gezet. De aangeboden hulp wijst hij resoluut af, want hij wil niemand over de vloer.

Albert leeft vooral in sombere terugblikken – op een ongelukkige jeugd, op ongemakkelijke oorlogsjaren en op een eigenaardig, kinderloos huwelijk. Eigenlijk voelt hij zich nergens veilig, behalve in zijn eigen huis. Des te opmerkelijker is het dat hij zich, op zijn oude dag, toch nog herkent in een groep mensen: de krakers. Die willen net als hij autonoom zijn en verdedigen hun kraakpanden met hand en tand. Het is een leuke vondst van Vogelenzang om zijn bejaarde hoofdpersoon een soort pact te laten sluiten met strijdlustige jongeren. In één moeite door kan hij zijn melancholische roman bovendien flink verlevendigen met de nodige krakersrellen.

Een ander opvallend kenmerk is de ambtenaarlijke taal waarin Albert zijn slonzige huishouden beschrijft. ‘Onze inventaris’, zo lezen we, ‘was op een natuurlijke wijze om ons heen ontstaan, zoals ook een tuin harmonieus verandert wanneer deze aan de natuur wordt overgelaten.’

Een absoluut meesterwerk is Aantekeningen nog niet meteen. Het verhaal is spannend, maar neigt wel naar het wijdlopige. Maar de strekking is helder: de grens tussen beschaving en verloedering is dun en er is maar een griezelig klein verschil tussen een inventaris en een reddeloze puinhoop.