Ook de haaien draaien 180 graaien

Een goed kindergedicht is voor alle leeftijden, zeker als het knap vertaald is, zoals Robbert-Jan Henkes deed in zijn meesterlijke bloemlezing van Russische kindergedichten.

Omslag van de gedichtenbundel Het vuurpaard van Vladimir Majakovski

Er was eens een mooi dik boek met een grappig plaatje erop. Ik sloeg het open en ik las een gedicht over ene Robin Bobin Barabek en het beviel me meteen. Die Robin Bobin Barabek ‘at veertig mensen en een hek’, want hij had honger. Vooral dat hek is goed. Hij at nog wel meer: ‘een koe, een os, een rode poon, / at de schele slagerszoon’. Ook goed om te weten dat die zoon van de slager scheel was. En nog steeds was de honger van Robin niet gestild: ‘at een boerenkar met paard, / de pook, de blaasbalg en de haard, / hij at een huis, een kerk, het spit, / at de smidse en de smid, / en toen hij klaar was zei hij klein: / - Auw, wat doet m’n buikje pijn!’

Dit zijn de betere gedichten, al weet ik nog niet zo goed waarom. De snelle voortgang en het sterke rijm, dat speelt zeker een rol. De vanzelfsprekende toon bij het onwaarschijnlijke gegeven, ook dat. De rare volgorde, de overdrijving, en – ook altijd goed voor de humor – de domheid van een ander.

Het gedicht is te vinden in Bij mij op de maan, een bloemlezing uit de Russische kinderpoëzie vanaf de zeventiende eeuw, vertaald en toegelicht door Robbert-Jan Henkes. Officieel is het dus een kindergedicht, maar ik denk dat alle leeftijden het met plezier lezen. Er gaat nu eenmaal iets onweerstaanbaars uit van de combinatie van onschuldig, speels en onzinnig en bruut geweld, zoals je die in veel kindergedichten aantreft.

Zou het ook een typisch Russisch gedicht zijn? Dat dacht ik wel even, maar uit een aantekening bij dit gedicht begreep ik dat het om een eigenzinnige vertaling ging van het Engelse wiegeliedje ‘Robin the Bobbin, the big-bellied Ben’. Het viel niet op tussen de andere Russische gedichten. Een goed kindergedicht is dus voor alle leeftijden, en houdt zich niet aan landsgrenzen. Het kan oversteken van Engeland naar Rusland, maar nu dus ook van Rusland naar Nederland. Het enige wat telt is dat de vertaling goed is. De vertalingen van Henkes zijn zo goed dat ik in dit boek nergens het gevoel had vertalingen te lezen. Zodat we ook kunnen zeggen dat de Nederlandse kinderpoëzie nu in een klap met honderden nieuwe gedichten is uitgebreid.

Tikkertje

Bij mij op de maan begint met een afdeling ‘Folklore’: anonieme, niet gedateerde verzen en versjes van het volk. Slaapliedjes, meezingliedjes, aftelversjes, plaagrijmen en andere pesterijtjes. Ook in Rusland zijn kinderen bang voor het grote bos. Ook daar doen ze tikkertje. Ook daar komt een haas (‘onze Hazebaas’) wel eens voor de loop van een jager te staan. Ze eten geen zoetemelk met brokken, maar ‘griesmeelpap uit een berkenhouten nap’ of ‘kaviaar met rijstebrij’. Maar verder is er toch weinig verschil. Ook in Rusland wordt met peuters gespeeld. De spelletjes zijn voorzien van handige aanwijzingen voor eigen gebruik, zodat ik mijzelf, onderwijl met mijn rechterhand ‘kruipend met wijsvinger en middelvinger en daarna prikkend’ tegen mijzelf hoorde zeggen, met een raar stemmetje: ‘Daar komt de bok met hoorntjes aan, / hij wil jou prik-prik-prikken gaan.’

De vertaling is zo naturel dat je vanzelf hardop mee gaat praten en zingen en (maar dat hoeft niemand te weten) in je handen gaat klappen. ‘Kom, kom, kommertje, kom, / loop met mij een eindje om.’ Speciale vermelding verdient het genre van de ‘Onderstebovens’, verzen waarin de gebruikelijke orde op zijn kop wordt gezet. Het is het aloude thema van de mundus inversus (omgekeerde wereld, red.) maar het verveelt nog steeds niet: ‘Het was in januari, precies op één april: / buiten was het droog, met plassen tot je bil. / Op de metalen brug, gemaakt van houten blokken / liep een dunne dikzak, vliegensvlug te sjokken.’

Tweehonderd fabels

Na de folklore springt de bloemlezing meteen naar de negentiende eeuw, naar Ivan Krylov (1769-1844), met wie volgens Henkes ‘de eigenlijke Russische kinderpoëzie begint.’ Hij is de dichter van meer dan tweehonderd fabels. Niet veel later duikt Poesjkin (1799-1837) op, ‘het stralende licht der Russische letteren’, zoals Henkes zegt. Hij schreef sprookjes, dat wil zeggen lange verhalende gedichten met sprookjesachtige inhoud. Ze waren niet eens speciaal voor kinderen bedoeld, maar zijn in de loop van de tijd wel tot de klassieke Russische kinderliteratuur gaan behoren – omdat ze eindeloos aan kinderen voorgelezen werden. Het is soepel vertaald allemaal, maar inhoudelijk nog niet heel erg bijzonder. De negentiende-eeuwse Russische kinderpoëzie is, net als in Nederland, nog wat braaf en ouwelijk, nog wat opvoedkundig van aard. Tussen de fabels en de sprookjes duikt af en toe, net als in de rest van Europa, de ondeugende invloed van Heinrich Hoffmann (Der Struwwelpeter) en Wilhelm Busch (Max und Moritz) op, dat wel.

De echte ommekeer, van poëzie door volwassenen naar poëzie vanuit de belevingswereld van kinderen zelf, komt pas met Kornej Tsjoekovski (1882-1962). Als Poesjkin het stralende licht van de Russische letteren is, dan moet Tsjoekovski wel het stralende licht van de Russische kinderpoëzie zijn. Hij krijgt hier maar liefst tachtig bladzijden, en al die tachtig bladzijden zijn geweldig – wat natuurlijk opnieuw komt door de geweldig soepele vertaling.

Tsjoekovski begreep heel goed wat er leeft in een kinderziel, en hij begreep ook heel goed hoe je de aandacht van een kind gevangen houdt. Zo begin je een gedicht: ‘Kort geleden liep met rasse schreden / over de brede Nevski Prospekt / met jas en bril, het hoofd bedekt / een krokodil. / Hij sprak nurks Turks, / pookte zijn stok, / rookte kapok, / Krokodil, Krokodil Krokodilovitsj!’ Dan wil je wel verder lezen. Zeker als zich achter de krokodil een horde mensen vormt die hem loopt uit te schelden en te duwen. Een hond bijt hem in zijn neus. Hoe zou dat aflopen? ‘De krokodil opende zijn mond / en schrokte de brutale hond / in één hap op – tot het laatste haartje op zijn kop.’ Snel gaat het verhaal verder. De krokodil springt op de tram! ‘Sapperdekriek! Wat een paniek!’ Een agent wil de krokodil erop wijzen dat hij in overtreding is. ‘De krokodil knikte attent, / en slikte de agent / in één hap door – zelfs zijn sabel verdween zonder spoor.’ Zo’n soort verhaal is dit: hoog tempo, snelle rijmen, veel uitroepen en uithalen, veel angst en paniek - en veel humor. Het verhaal loopt toch nog goed af, want plots verschijnt de dappere Vanja op het toneel: ‘Vanja was een legende, een held, een soldaat, / Vanja kon zonder oppas alleen over straat.’ En dan loopt het de krokodil natuurlijk dun door de broek, zeker als Vanja gaat zwaaien ‘met zijn speelgoedzwaardje’. De krokodil vraagt vergiffenis, en biedt aan: ‘Al wat ik heb opgeslokt en opgeschrokt / boer ik onmiddellijk retour.’ Mooi rijm! En zo geschiedt. Oom agent en de hond komen weer heelhuids tevoorschijn, de hele stad viert feest, en de krokodil wordt op het vliegtuig richting Nijl gezet.

Dit is nog maar het eerste deel van de lange driedelige Krokodil-sage. En die vormt nog maar weer een klein deel van Tsjoekovski’s gehele oeuvre. Het speelt zich af in een volkomen vanzelfsprekend, absurd universum. Dieren, veel dieren, kinderlogica, speelse taal, alles ritmisch en melodieus – hetzelfde mengsel als bij Annie M.G. Schmidt. ‘Ook de haaien draaien / honderdtachtig graaien: / je ziet alleen hun staart nog zwaaien.’ Er is een gedicht over de zon die op een dag besluit uit wandelen te gaan – en dan wordt gestolen. Er zijn de vele avonturen van dokter Oudoetzeer in Afrika, waar de kinderen van het nijlpaard lijden, allemaal, aan een of andere enge kwaal. ‘Ja ja ja! Ze hebben kinkhoest, hepatitis, / malaria en mazelen en voorts / roodvonk, buikgriep, difteritis / en de roodgeelblauwe koorts!’

Linguïstisch genie

In zijn nawoord gaat Henkes uitgebreid in op het werk van Tsjoekovski, en op zijn opvattingen over kinderpoëzie. Tijdens zijn verblijf in Engeland ontdekte hij de kracht van nursery rhymes. Hij was het ook die het gedicht over Robin Bobin Barabek vertaalde. Hij geloofde dat ieder kind tussen twee en vijf jaar ‘een linguïstisch genie’ is, en hij schreef over het spontane ontstaan van poëzie bij kinderen.

Tsjoekovski heeft het met zijn opvattingen lastig gehad in de jaren twintig en dertig, onder het communistische regime. In het algemeen had de revolutie het niet zo op verzinsels en sprookjes en ook niet op humor. De weduwe Lenin vond het verhaal over de krokodil maar gevaarlijke onzin: ‘in plaats van iets over het natuurlijke leven van krokodillen te horen, krijgen de kinderen je reinste onzin opgedist!’ De meeste communistische jeugdgedichten liet Henkes onvertaald, maar in zijn nawoord geeft hij wel een goed beeld van hoe er gelaveerd moest worden.

Dat gold ook voor Samoeïl Marsjak (1887-1964), de andere grote ontdekking in deze bloemlezing. Hij krijgt bijna zeventig bladzijden. Ook hij is goed in het lange, avontuurlijke gedicht met onverwachte wendingen. Ook hij heeft een Annie M.G. Schmidt-achtig gevoel voor wat belangrijk is. Zie sprekende titels als ‘Brand’, ‘Circus’ en ‘IJscokar’. En ook: ‘Het sprookje van het domme muisje’, waarin de hoofdpersoon erop staat dat uitgerekend een poes een slaapliedje voor hem komt zingen. Marsjak was een stimulerende kracht, die veel collega’s overhaalde om gedichten voor kinderen te gaan schrijven. Daar zaten ook bekende namen bij, zoals Daniil Charms, Osip Mandelstam en Vladimir Majakovski. Ze zijn hier allemaal te vinden, samen met allerlei onbekende, maar zeker niet mindere kinderdichters. Het is een goudmijn. Henkes heeft een ruime keuze mogen maken, maar vindt zijn keuze toch altijd nog beperkt: ‘het had net zo goed nog dubbel zo dik kunnen zijn.’ Hij had graag nog veel meer jongere dichters willen opnemen, en geeft dan als voorbeeld dit prachtige slaapliedje van Irina Tokmakova:

De nacht is donker, de nacht is fris,

waar staat het bedje van de vis?

De kippen slapen op hun stokje,

de hond slaapt in zijn hondenhokje,

de eekhoorn heeft zijn nestje in de boom,

de eenhoorn ligt te slapen in jouw droom,

de beren liggen in hun grote holen,

de muisjes ondergronds verscholen.

Slaap jij, visje, soms in scholen?

Visje, visje, waar slaap jij?

Dus ik zou Henkes willen vragen om alvast te beginnen aan een even dik tweede deel. En hoe zit het met zijn kennis van het Chinees? En het Arabisch?