Okapi, aap of eenhoorn: wie wint?

Maandag is de uitreiking van Woutertje Pieterse Prijs. Het ideale jeugdboek is een hybride, ontstaan uit een innige samenwerking tussen schrijver en illustrator.

Rond vierkant vierkant rond van Ted van Lieshout

De beste kinderliteratuur heeft iets weg van een okapi. ‘Nu denk je: waaahaaaa’, zou Edward van de Vendel nu schrijven. Op de bladzijde in Stem op de okapi waar hij dat daadwerkelijk schrijft, ziet de lezer voor het eerst een okapi, een getekende. Een ‘aan elkaar geplakt dier’, noemt Van de Vendel hem. ‘Beetje hert. Beetje paard. Beetje zebra.’

Beetje gek dus. Van de Vendel stelt de diersoort nader voor en vergroot zo het wonder. Hij schrijft over de loeisterke zweeptong van de okapi, zijn onnavolgbare kuchkreetje, zijn schitterende billen, ruitenwisseroogleden. De okapi is een verzameling eigenaardigheden die samen een geweldig geheel vormen – niet voor niets wil dit boek je een nieuw lievelingsdier te schenken.

De perfecte hybride: Stem op de okapi (1) (Querido, 160 blz. € 14,99) is dat net zo goed als de okapi zelf. Het is een mengelmoes van genres, van journalistiek tot poëzie, geschiedschrijving en zelfs beeldende kunst, een innige samenwerking tussen schrijver Edward van de Vendel en illustrator Martijn van der Linden. Dat boek moet dus, aanstaande maandag, de Woutertje Pieterse Prijs 2016 winnen.

Dat wil zeggen: áls de jury ervoor kiest om de heilige opdracht die de prijs toekomt ook uit te voeren. De Woutertje Pieterse Prijs, de jaarlijkse jeugdliteratuurprijs, heeft de unieke positie dat het hybriden kan bekronen, en daarmee schrijver én illustrator, die het prijzengeld (15.000 euro) delen. De Gouden Griffel is er voor de tekst, het Gouden Penseel voor het beeld, andere prijzen zijn er voor bepaalde leeftijdsgroepen.

Toch ging de Woutertje Pieterse Prijs in 28 jaar slechts in een handjevol gevallen naar een hybride. Bijvoorbeeld vorig jaar: naar Doodgewoon van Bette Westera en Sylvia Weve, en in 2012, naar Driedelig paard van Ted van Lieshout. Dat dat recente boeken zijn lijkt geen toeval: uitgevers investeren voor hun topboeken graag in illustraties en boekverzorging, zo is de trend. Die uitgeversdurf zorgde ervoor dat er nu zes boeken genomineerd zijn die uitblinken door hun sterke samenspel van tekst en beeld.

Op eentje na: Bosch. Het verhaal van Jeroen, zijn pet, zijn rugzak en de bal… (2) van Thé Tjong-Khing (Leopold, 41 blz. € 17,50), dat alleen maar illustraties bevat, geen tekst. Thé stuurt een jongetje op speurtocht in een Boschiaanse hel. Het is een geestverruimende samensmelting van Bosch’ en Thé’s oeuvres, in die zin een soort hybride – maar meer iets voor het Gouden Penseel.

Ook een bedenkelijke hybride is De Hemel (3) van Bart Moeyaert en Gerda Dendooven (Querido, 41 blz. € 22,99) – én het Nederlands Blazers Ensemble, moet je zeggen. Moeyaerts fabel over een man die de dood afwacht omdat het leven wel best is geweest, is onderdeel van een voorstelling met muziek van Haydn, het cd’tje zit bij het boek. Die voorstelling is ambitieus en betoverend, maar tussen twee kaften komt niet al die kracht over. In boekvorm zijn muziek, verhaal en illustraties te veel ‘aan elkaar geplakt’.

Bantengs en anoa’s

Het non-fictieboek Een aap op de wc (4) (Hoogland & Van Klaveren, 118 blz. € 14,90) zal vermoedelijk ook niet winnen, al is het omdat alléén schrijver Joukje Akveld genomineerd is, illustrator Martijn van der Linden nadrukkelijk niet. Voor hem een tikkeltje beledigend, al kreeg hij hier inderdaad lang niet zoveel ruimte om te excelleren als in Stem op de okapi. Akveld vertelt over Diergaarde Blijdorp in de Tweede Wereldoorlog, aan de hand van de dierentuindieren. Akveld schuwt ellende niet, maar houdt ook journalistieke afstand, en zo kom je dicht bij de geschiedenis: de geschilderde dieren-close-ups versterken dat. Bovendien: wanneer Akveld weer vertelt hoe alle bantengs, anoa’s en nijlgaus rondrennen als de bommen vallen, zijn Van der Lindens kantlijnschetsjes van die diertypes zeer welkom. Maar als de jury tekst en beeld niet als onlosmakelijk zag, zullen ze het geen overtuigende Woutertje-winnaar vinden.

Het onlosmakelijke duo Imme Dros en Harrie Geelen is genomineerd met het prentenboek Tijs en de eenhoorn (5) (Querido, 33 blz. € 14,99), over een jongen die een eenhoorn tekent die tot leven komt. Mooi en warm, maar geen echte kanshebber, omdat het zo klassiek is – zowel de inhoud als de opbouw: het plaatje verbeeldt het praatje.

In de poëziebundel Rond vierkant vierkant rond (6) van Ted van Lieshout (Leopold, 108 blz. € 19,99) vervángen de beelden vaak de woorden. Hij is dan ook schrijver én illustrator en, niet toevallig, emancipator van de kinderboekillustratie als volwaardige beeldende kunst. Hij toont wat beeld vermag, verheft rijen dropjes, spruitjes en lepeltjes tot sonnetten – en waarom eigenlijk niet? Hij laat zo glashelder zien hoe poëzie werkt en wordt gemaakt (iedereen kan het). Het is goed denkbaar dat de jury valt voor die conceptuele vernieuwing, voor die versmelting van beeld en tekst, al moet gezegd dat de beeldsonnetten meer beklijven dan de gedichten die uit woorden bestaan.

De perfecte eenheid is toch dat vreemde schepsel, Stem op de okapi. In het tweede hoofdstuk, na de inleidende woorden van Van de Vendel, komen we de okapi in tientallen getekende verschijningen tegen, Van der Linden gaat los. Dan slaan de bewondering en verwondering definitief op je over – voor het dier, én voor de twee makers. En voor de vermogens van kinderliteratuur, waar schrijver en illustrator zo’n gelijkwaardige relatie kunnen hebben, en zoiets geks kunnen scheppen, zoiets goeds.