Meer dan klassieke ‘Gutmenschen’

Anders dan vaak wordt gedacht ging de Eerste Wereldoorlog beslist niet onopgemerkt aan Nederland voorbij. Dat blijkt uit een studie over de wijze waarop Nederlanders de oorlog hebben ervaren.

Sinds het uitbreken van de vluchtelingencrisis in de herfst van 2015 is herhaaldelijk de opvang van vluchtelingen uit België van een eeuw geleden gememoreerd. In de eerste maanden na het begin van de Eerste Wereldoorlog in de zomer van 1914 vluchtten honderdduizenden Belgen naar Nederland waar ze, anders dan de huidige stroom vluchtelingen en migranten uit het Midden-Oosten en Afrika, met open armen werden ontvangen.

In De oorlog van anderen. Nederlanders en oorlogsgeweld, 1914-1918 schrijft de NIOD-onderzoekster Conny Kristel dat Nederlanders zozeer begaan waren met de ontheemden, dat ‘het in de dagen rondom de val van Antwerpen overkookte van humanitair enthousiasme’. De Nederlanders toonden zich klassieke Gutmenschen: ‘Men leek blij een niet-militaire, maar wel actieve rol te hebben gevonden in het internationale conflict, die bovendien de neutraliteit niet in gevaar bracht’, schrijft Kristel.

Zo groot was de hulpvaardigheid dat een commentator in de Nieuwe Rotterdamsche Courant waarschuwde dat de opvang niet zo goed moest worden dat de vluchtelingen niet meer terug wilden. Het bleek een onterechte vrees: na de val van Antwerpen op 10 oktober 1914 en het vastlopen van het Duitse leger in zuid-west België keerden de meeste vluchtelingen terug naar hun inmiddels bezette land.

Industriële oorlog

Door de opvang van de vluchtelingen uit België was de Eerste Wereldoorlog al in een vroeg stadium niet alleen ‘de oorlog van anderen’, zoals de Grote Oorlog lange tijd in Nederland bekend stond. Ook de mobilisatie van 200.000 soldaten in 1914 en later de onbeperkte Duitse duikbotenoorlog waarin tientallen Nederlandse schepen werden getorpedeerd, zorgden ervoor dat WO I niet een oorlog was die aan Nederland voorbijging. In 1916 maakte de Slag aan de Somme, waarbij aan zowel Duitse als geallieerde zijde in een paar maanden tijd honderdduizenden soldaten omkwamen, ook Nederlanders duidelijk wat een industriële oorlog betekende. En toen de oorlog in november 1918 eindelijk ten einde was, kondigde de SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra na de vlucht van de Duitse keizer Wilhelm II naar Nederland de revolutie aan.

Al deze – en andere – onderwerpen behandelt Kristel, die eerder een proefschrift en artikelen over (de geschiedschrijving) van de jodenvervolging in Nederland publiceerde, aan de hand van 23 dagboeken van Nederlanders, artikelen uit dagbladen en tijdschriften als Het Leven en ‘uitingen van populaire cultuur’ zoals tentoonstellingen over de oorlog die ook in Nederland in de jaren 1914-’18 waren te zien. Vooral de dagboeken hebben onverwachte citaten opgeleverd. Zo haalt Kristel een passage aan uit het dagboek van Arthur Knaap (1893-1938) die als Frans legionair een Duitse soldaat met de bajonet doodde tijdens de Slag aan de Somme. ‘Goede hemel, wat was hij jong, achttien jaar misschien en zijn groote blauwe oogen waren zoo schichtig’, schreef Knaap. ‘Hij zeide niets, zijn mond bleef open, hij bloedde niet eens, en keek me immer aan.’

Bijna bij elk onderwerp, van nieuw wapentuig tot de loopgravenoorlog, vergelijkt Kristel de beleving van WO I in Nederland met die in Duitsland en Engeland. Meestal leidt dit tot een soortgelijke conclusie: doordat Nederland geen partij was, was die minder intens en verstrekkend dan in de oorlogvoerende landen. Toch is WO I, anders dan historici als M.C. Brands hebben beweerd, beslist niet onopgemerkt aan Nederland voorbijgegaan, zo laat Kristel overtuigend lezen. Nederland begon in 1914 vooral als waarnemer, maar toen het werd getroffen door de Duitse duikbotenoorlog en in 1916 de gruwelen van een geïndustrialiseerde oorlog duidelijk werden, voelde het zich steeds ongemakkelijker in deze rol. Het wierp zich op als hoeder van het internationaal recht, maar dit leidde vooral tot het besef dat het voorgoed een kleine natie was. Aan het einde van de oorlog wist ook Nederland dat de wereld van 1914 ‘voorgoed tot het verleden behoorde', schrijft Kristel, en dat een ‘nieuw tijdperk was begonnen.’