Karel Appel mengde verf ‘als een sambadanser’

Nico Delaive verkoopt al vijfendertig jaar werk van Karel Appel. Hij wist al lang van de slechte staat van zijn schilderijen.

Karel Appel in zijn atelier, met in het midden op tafel een fles standolie. Foto Nico Delaive

Veel schilderijen van Karel Appel in een slechte conditie? Kunsthandelaar Nico Delaive moet hard lachen om het nieuws dat gisteren dankzij verfonderzoeker Jaap Boon naar buiten kwam. „Dat weten we in de handel al lang”, zegt hij.

In zijn galerie aan de Spiegelgracht in Amsterdam verkoopt Delaive al vijfendertig jaar schilderijen van Appel. Die doeken zocht hij vroeger vaak direct uit op het atelier van de kunstenaar, in het Amerikaanse Connecticut. Leuke ontmoetingen, waarbij hij zelfs mocht helpen schilderen. Omgekeerd kwam Appel vaak bij hem op bezoek in zijn galerie.

Delaive: „Als ik dan een oud schilderij van hem aan de muur had hangen, inspecteerde Appel het heel nauwkeurig. Dan keek hij of er niet te veel verf van het doek was afgevallen. Ook voelde hij of de verf niet zacht aan het worden was. Als dat niet het geval was, zei hij: ‘Deze is nog goed, hè?’ Appel wist zelf dondersgoed dat sommige doeken wat betreft conditie problematisch waren.”

In zijn atelier heeft Delaive dikwijls gezien hoe Appel zijn verf mengde met gips en standolie, een sterk ingedikte lijnolie die wel wordt gebruikt om de laatste lagen olieverf voor een schilderij mee te verdunnen. „Dat deed hij omdat hij de verf smeuïger wilde hebben. Dat mengen ging op gevoel en op het oog. Hij gooide alles in een blik en hij stond dan met de hand wat te hannesen. ‘Koop toch een schudmachine’, zei ik dan. Maar dat deed hij niet. Hij bleef maar schudden, als een sambadanser.”

Bruine troep

Delaive heeft vaak gezien dat de standolie later weer uit de verf druppelde. „Bruine troep. Dat heb ik dikwijls door een restaurator laten weghalen. Maar dat kost soms duizenden euro’s. Soms heb ik zelf ook doeken met peut schoongemaakt. En ook wel met groene zeep, dat heb ik geleerd van Carel Willink (de magisch-realistisch fijnschilder, red.).”

Van de doeken van Appel vallen regelmatig slierten met verf af. „Die dropslierten die hij rechtstreeks uit de tube op doek aanbracht, die zijn een nachtmerrie”, zegt Delaive. En dan vooral als ze door werksters zijn opgeruimd of anderszins zijn zoekgeraakt. „Losse stukken kun je weer vastlijmen. Maar als ze zijn verdwenen, kun je het niet meer restaureren.”

Bij inkoop van schilderijen van Appel kijkt Delaive altijd kritisch naar de staat. „Hoe erg is het? Dat is de vraag waar ik een antwoord op zoek. Ik kon eens een schilderij terugkopen dat ik in 1983 in goede conditie had verkocht. Maar dat schilderij zag er opeens zo raar uit. Wat denk je? Omdat er verf was afgevallen, had de eigenaar met een strijkijzer geprobeerd het weer glad te krijgen.”

De conditieproblemen bij de schilderijen van Appel zullen altijd blijven, verwacht Delaive. Gelukkig is hij het gewend en weet hij doeken goed te beoordelen. Hij laat een schilderij zien dat Hersenschim heet, uit 1953. Linksonder op het doek druipt zwarte verf over een witte ondergrond, een grillig patroon. Delaive: „Met zwarte verf gaat het op oude doeken vaak niet goed. Geen idee waarom.”

Stuyvesant

Soms zijn de conditieproblemen echt ernstig, zegt hij. Zes jaar geleden veilde Sotheby’s in Amsterdam de Peter Stuyvesant Collectie. In de bedrijfscollectie van het sigarettenmerk zaten vijftien werken van Appel. Topstuk was Tête tragique uit 1961, een groot doek dat voor 492.750 euro werd verkocht.

Delaive: „Mijn vaste restaurator kreeg die collectie onder ogen. De schilderijen waren in zo’n slechte conditie, sommige lagen al bijna uit elkaar. Dat komt ervan als je ze in een fabriekshal aan het plafond hangt. Koud, warm, stof enzovoorts. Volgens mijn restaurator zou het zeker vijftien jaar hebben gekost om alles weer goed te krijgen.”