Boeken

‘Ik wilde revanche’

Frank Westerman schreef met ‘Een woord een woord’ een boek over hoe terreur ingrijpt in gewone levens. “Hoe verhouden we ons tot geweld en hoe verhielden we ons tot geweld?”

Foto: Andreas Terlaak

Hoe de gesel van terreur ingrijpt in gewone levens. Zo typeert Frank Westerman het onderwerp van zijn nieuwe boek Een woord een woord wanneer we elkaar spreken in zijn Amsterdamse werkkamer, zittend aan een Russisch bureau, met uitzicht op een foto van een bevrijdingsparade op het Rode plein in 1921.

Om die vraag te beantwoorden schrijft hij over Molukse kapingen die zich in Drenthe voltrokken tussen december 1975 en maart 1978 (twee treinkapingen, een gijzeling op een school in Bovensmilde en een gijzeling van het Provinciehuis). Tegenover de Dutch approach van praten met de kapers plaatst hij de gijzeling van een school in Beslan door Tsjetsjenen, waarbij Poetin het praten met ‘kindermoordenaars’ als een teken van zwakte beschouwde. Het gevolg van Poetins ingrijpen: meer dan driehonderd doden onder wie bijna tweehonderd kinderen versus nul doden in Bovensmilde.

Ondertussen beschrijft Westerman ook de veranderde kijk op terroristen en stelt de vraag of we moeten vetrouwen op het woord of het zwaard:

“Je komt op een bijzonder moment. Ik kreeg vanmorgen een brief van een ex-Kamerlid voor D66. Ze had in 1977 in de huiskamers gezeten van de ouders van de gedode kapers en op basis daarvan had ze haar pleidooi in de Tweede Kamer voorbereid. Staatssecretaris Zeevalking vond dat het te invoelend. Hij zei: ‘Dat kan zo niet. Je brengt begrip op voor mensen die een terroristische daad hebben gepleegd.’ Ze paste haar tekst aan en denkt er door mijn boek nu weer anders over. Het is me niet eerder gebeurd dat ik zoveel reacties krijg: een broer van een kaper, een ex-gegijzelde en een ex-marinier.”

Dat u die reacties krijgt, is dat omdat dat verleden niet genoeg is verwerkt, of is dat hernieuwde angst voor wat ons nu te wachten staat?

“Als je kijkt naar hoe schooljongens in Assen bezig waren met wapens verzamelen, hoe ze schietoefeningen hielden op de hei dan vraag ik me af of jongens in Den Haag op dit moment niet met exact hetzelfde bezig zijn.”

Zou het kunnen dat u jongens in de Schilderswijk met dit boek bereikt?

“Ik hoop het. Tja, het is geen antwoord op je vraag, maar er is een exemplaar onderweg naar Tanja Nijmeijer. Toen ik student was steunde ik het verzet tegen de dictatuur in El Salvador door geld voor wapens in te zamelen. Ik raakte ook bevriend met een RAF-terroriste op Cuba. Met terugwerkende kracht denk ik daar nu met wroeging aan. Tienduizenden demonstreerden in Nederland voor een betere behandeling van de RAF-gevangen. Heel West-Europa zinderde van de terreuraanslagen. De vraag die ik op de snijtafel wilde leggen is: hoe verhouden we ons tot geweld en hoe verhielden we ons tot geweld?”

En?

“Naar het verleden kijken om daar recepten uit te halen voor het heden is zinloos, vinden historici. Ik vind die benadering wat kortzichtig. Het gaat om de psychologie van frustratie. Die is hetzelfde. De biologie van de boosheid noem ik het. De kaper die ik sprak en die nu dichter is, zei letterlijk tegen me: Frank, toen ik in 1975 aan de treinkaping begon, bestond het woord radicalisering nog niet. Het was harding. Nu geldt hij als iemand die gederadicaliseerd is, maar ik zou zeggen: hij is nu onthard. Je kan de vergelijking natuurlijk niet maken: Ambon kan je niet vergelijken met Syrië, dat lijkt me vanzelfsprekend. Die verschillen zijn er, maar de parallellen ook. Daar ben ik naar op zoek.”

En wat is dus de conclusie?

“Die staat aan het slot van mijn boek. Daarin beschrijf ik een toneelvoorstelling in huiskamers in Bovensmilde aan het lege veld waar de gekaapte school heeft gestaan. Het is een soort huiskamertoneel waaraan zowel Molukse als niet-Molukkers acteurs meedoen, maar waar ook publiek aanschuift. Dat is hoe je 39 jaar nadat de schoolkinderen gegijzeld waren dat geschonden weefsel van de samenleving probeert te herstellen. Ik contrasteer dat Drentse dorp met de gijzeling van de schoolkinderen door Tsjetsjenen in Beslan. Hier heb ik een foto van een bebloed hemd dat de ouders hebben bewaard. Waar beriep Poetin zich op: we praten niet met kindermoordenaars. Dan krijg je dus dit. In Nederland zaten er twee psychiaters met de gijzelaars te praten. Hier kwamen de kinderen lichamelijk ongedeerd naar buiten, maar wel levenslang psychisch geschonden. Poetin slaat terug met geweld en wat overblijft is een bebloed hemd. Als je het gesprek aangaat dan krijg je een dichtbundel van een ex-kaper.”

Het is me nog niet helemaal helder. Wil je dat we nu teruggaan naar de Dutch approach uit de jaren zeventig?

“Het is ook niet helder. Het is typisch van deze tijd om te roepen: En? Wat is je conclusie? Maar ik heb geen in graniet gebeitelde antwoorden. Is de pen machtiger dan het zwaard? Nee, ze hebben elkaar nodig. Het wapen kan niet zonder het woord. Het zwaard is nodig om het woord te beschermen. Dat had ik vroeger echt niet gezegd.”

Zijn we daarin veranderd omdat we ons minder kunnen identificeren met de daders van nu of zijn we vervallen in wij-zij denken?

“Nee. We verwaarlozen de mentale spier van de verbeelding en het vermogen je in te leven in de ander. President Hollande roept ‘We zijn in oorlog’. Zo voelt het, ook bij mij als zo’n aanslag net is geweest. Maar de reflex om geweld met tegengeweld te beantwoorden, is een teken van zwakte. Als je alleen gaat bombarderen, ga je op de terrorist lijken. Wat verdedig je dan nog?”

Zijn beelden niet belangrijker dan het woord? Iedereen heeft het beeld van hoe James Foley er bij zat vlak voor zijn onthoofding, niemand weet nog wat hij heeft geschreven.

“In Parijs was er na de aanslag een kaartje met ‘books, not bombs’. Ik schrijf ook boeken en ik heb er eentje aan willen toevoegen. Ik heb willen antwoorden met een boek, via de band van onze eigen verleden met terreur.”

Maar had u ook een boek kunnen schrijven over het beeld of het zwaard? Zit er in het opkomen van het beeld een verschil met de jaren zeventig?

“Nee, nu wordt er nog steeds tekst bij gehaald. Hele lappen, verhandelingen, betogen, fatwa’s en vervloekingen. Mohammed B. prikt een tekst op de buik van Theo van Gogh, de Noorse terrorist Anders Breivik komt met 800 pagina’s proza. Dat zijn woorden. Maar het is wel zo: het gesprek met de Molukkers kwam pas tot stand nadat ze geweld hadden toegepast. Wat een ironie. Ik heb zelf als correspondent in Rusland gevoeld hoe het is wanneer je je niet meer op woorden kan verlaten. Ik ben de rivier Terek naar Tsjetsjenië niet overgestoken omdat het er te gevaarlijk was. Ik kon dus geen direct verslag doen van de oorlog daar. Het idee dat je met verhalen de wereld ten goede kan veranderen, koester ik niet. Maar stoppen met vertellen verandert de wereld ten kwade. Daar hou ik me aan vast.”

Wat betekende de keuze om de rivier niet over te steken voor u persoonlijk?

“De vraag hoe ontstaat een verhaal was voor mij de inzet van Stikvallei. In dit boek is de vraag: wat heb je aan verhalen? Een woord een woord ligt in het verlengde daarvan, zeker als je bedreigd wordt.”

Maar dat niet oversteken van de rivier vond plaats voordat u Stikvallei schreef, dus het moet daarvoor al iets met u hebben gedaan.

“Ik ben naar Bosnië geweest voor de krant, bij Srebrenica. Ik denk dat het belangrijk was dat er journalisten verslag deden van de oorlog in Bosnië en daar heb ik in volle overtuiging aan meegedaan. Het grote verschil was dat de oorlog in Tsjetsjenië niet te doen was als verslaggever, ik spreek dan namens 99% van de journalisten. Je kwam er niet in, werd er ontvoerd, gegijzeld of onthoofd. Het is hetzelfde als met Syrië. Ik zoek voortdurend parallellen.”

Kan het zijn dat het terugkerende thema rondom verhalen in uw boeken is voortgekomen uit schuldgevoel dat u die rivier niet overstak?

“Ja. Het geloof in de kracht van het woord heb ik willen terugwinnen op de verslagenheid van toen die ik ervoer door terug te deinzen voor onmenselijk geweld. Het onvermogen van toen sluimerde. Met dit boek heb ik revanche genomen op mijn uitgeholde geloof in dat woorden er wel toe doen. Cynisme is de opzichtige camouflage van de machteloze. Ik heb terrein willen terugwinnen op mijn eigen cynisme, een boek lang.”

Dit interview is op zaterdag 14 mei in gewijzigde vorm verschenen in de krant.