Holleeder als kunstwerk

‘Goedemorgen”, zegt Willem Holleeder tegen de rechter — en zijn neus staat al op papier. Kennelijk heeft de tekenaar de neus van Holleeder al zo vaak vereeuwigd dat hij er vast mee is begonnen. Of hij deed hem uit zijn hoofd, kan ook nog; thuis bij het ontbijt het beruchtste reukorgaan van Nederland even schetsen.

Ik zit schuin achter de tekenaar en kan de verdachte dáárachter goed observeren. Onze blik op Holleeder is bijna dezelfde.

Meteen valt op dat de lijntjes op papier Holleeder er prettiger doen uitzien dan in werkelijkheid. Van de vermoeide, afwisselend grimmig en verbijsterd opkijkende verdachte vind ik op het grote, door twee klemmen vastgehouden papier niets terug. Ergens wel grappig — meestal lijken rechtbanktekeningen van Holleeder op cartoons, met een Neus die alle perken te buiten gaat. Nu geeft de tekenaar hem een best sympathiek, bijna normaal neusje. De tekenaar is een oudere man met grijs haar en een bril, een vakman, stil en toegewijd. Hij lijkt van al het vreselijks dat hier aan de Parnassusweg in Amsterdam-Zuid naar voren wordt gebracht niets te horen. Het cynisme, de vermeende intimidaties door Holleeder, verhalen over liquidaties: deprimerende kost, maar de tekenaar geeft geen kik. Hij tekent.

De liefde van de tekenaar voor zijn vak biedt troost; ze helpt mij de ochtend door die in het teken staat van nieuwe beschuldigingen: Holleeder zou vanuit de gevangenis in Vught opdracht hebben gegeven tot moord op zijn zussen. Heerlijk dus om de soepele en vastberaden handen te zien die over het beigekleurig papier gaan.

Ook humor brengt de tekenaar niet van zijn stuk. Na een opmerking van de rechter tegen Holleeder — „U bent binnenkort jarig” — klinkt het olijk: „Dan geef ik een feestje.” Gevolgd door een Jordanees grinnikje. En naast mij zegt Peter R. de Vries zachtjes: „Holleeder is voorlopig nog niet jarig.”

Grapjes, het zou wat. Onaangedaan opent de tekenaar een etui. Penselen, een gum, tubes, papierpropjes vallen bloot. „Als Sonja met mijn geld gaat kloten schiet ik haar dood”, zou Holleeder ooit hebben gezegd. De tekenaar tekent. Zijn kwastje maakt de toga van raadsman Stijn Franken zwart. Kijkend naar het vakmanschap word ik helemaal zen. De zitting wordt even geschorst en de verslaggevers stuiven naar buiten om het laatste nieuws wereldkundig te maken. Als enige werkt de tekenaar door. Niemand spreekt hij, ik vraag me af of hij internet heeft. Een residu van andere tijden is hij, de eenzame stille vakman, vertegenwoordiger van een wegkwijnend ambacht.

Deskundig onder zijn stolp, met niemand iets te maken. Advocaat Franken hekelt de Antillianen die belastende verklaringen hebben afgelegd. Hoort de tekenaar überhaupt iets? Is hij doof?

Dan neemt Holleeder het woord. Hij zegt te hopen dat zijn zussen met rust worden gelaten. Na zijn betoogje valt Holleeder terug in zijn stoel: kalm, niet rusteloos en gekweld meer. En hoe het komt weet ik niet, maar hij lijkt nu ineens sprekend op de betrekkelijk gewone man op de tekening vlak voor me. Alsof de tekenaar al die tijd al wist dat dit zou gebeuren. Zijn schets is goed getroffen, bij nader inzien een kunstwerk.