Hard tegen zacht: 010 vs 020 in sociaal beleid

Grote steden De wethouders van werk en inkomen van Amsterdam en Rotterdam, ideologische tegenpolen, nemen elkaar de maat. Moet je mensen dwingen ‘mee te doen’ of zorgen voor de zwaksten?

Leefbaar-wethouder Maarten Struijvenberg in wijkcentrum Het Ravennest in Rotterdam-Hillesluis. Foto Lars van de Brink

Als Maarten Struijvenberg binnenkomt, met jasje, zonder stropdas, trekt Arjan Vliegenthart meteen die van zijn eigen nek af. „We hebben elkaar dus niet gebeld om te vragen: wat doe jíj aan?”, stelt Struijvenberg droogjes vast.

Ze zijn allebei wethouder werk en inkomen, rechts en links van het politieke midden. Struijvenberg (1974) in Rotterdam, namens Leefbaar Rotterdam. Vliegenthart (1978) in Amsterdam, namens de SP. Ze kennen elkaar goed, groeten elkaar hartelijk, onderstrepen de onderlinge overeenkomsten graag en hun verschillen nog gretiger.

Er zijn nogal wat verschillen. Ze hebben naar verhouding ongeveer evenveel uitkeringsgerechtigden. Maar de mensen met een uitkering zijn in Rotterdam gemiddeld lager opgeleid dan in Amsterdam. Rotterdam legt veel vaker strafmaatregelen op aan uitkeringsgerechtigden. En Amsterdam geeft uitkeringsgerechtigden veel meer extra hulp om een baan te vinden. Dat is geen toeval, dat is beleid. Zowel de een als de ander heeft maar een klein duwtje nodig om uit te leggen dat hij, en niet zijn collega, het bij het rechte eind heeft. Struijvenberg met diepe stem, zonodig grimmig. Vliegenthart met een buitelend optimisme, zodat de woorden soms over elkaar struikelen.

Eerste duwtje: hebben ze zelf in hun verleden armoede ervaren?

Mensen die heel moeilijk te bemiddelen zijn, vragen we iets terug te doen voor hun uitkering

Maarten Struijvenberg, wethouder Rotterdam

Struijvenberg: „Mijn vader was zeeman op de Rotterdamse Lloyd. Toen hij met mijn moeder was getrouwd, ging hij economie studeren. Hij nam een bijbaantje als koster, we hadden een woning in de remonstrantse kerk in Rotterdam. Mijn moeder werkte als verpleegster – rijk word je d’r niet van. Maar er was altijd eten op tafel, daar werd voor gewerkt en gespaard.”

SP-wethouder Arjan Vliegenthart bij een reïntegratieproject in de Amsterdamse brouwerij De Prael.

Vliegenthart: „Ik kom uit een relatief burgerlijk milieu. Gebrek aan geld was nooit een issue. Mijn opa van vaderskant was binnenvaartschipper, die aan wal een bedrijf opzette voor havenkabels, de trots van de familie; de Koersk is er nog mee opgetakeld. Het was een groot gereformeerd gezin, toen mijn vader jong was moesten ze elk dubbeltje drie keer omdraaien. Maar de kinderen mochten wel studeren. Mijn vader kon zo dominee worden.”

Struijvenberg: „Mijn ouders vonden vakantie heel belangrijk voor ons. Elke zomer moesten en zouden ze een week weg.”

Vliegenthart: „Waar ging je dan heen? Rockanje?”

Struijvenberg: „Meestal ergens in Nederland, ja. Maar er was natuurlijk geen geld voor. Dus draaide mijn vader bardiensten in het Zeemanshuis, waste hij borden in restaurants. Dat geld werd opzij gelegd voor een week vakantie.”

Hoe ontmoedigend is de taak waarvoor u zich gesteld ziet? Een derde van de mensen die uit de bijstand komen, staat binnen drie jaar weer bij de dienst werk en inkomen op de stoep.

Vliegenthart: „Armoede hoort bij de grote stad. Dan fronsen mensen de wenkbrauwen wel eens, maar het is een feit. De grote stad is een magneet – ook voor mensen die zich willen opwerken. Ik kan niet alle Amsterdammers van armoede vrijwaren.”

Struijvenberg: „De vraag is: wat vind je echt armoede-armoede? Als mensen een tv, een mobiel hebben, een huis dat niet overal lekt, eten op de plank, maar niet met vakantie kunnen – vind je dat armoede? Is dat een ontoelaatbaar lage levensstandaard? Ik vind van niet.”

Vliegenthart: „Er is een groep in de samenleving die, deels doordat ze iets stoms doen, maar ook doordat het in onze economie niet eerlijk verdeeld is, aan de onderkant zit. Dan is de vraag volgens mij niet alleen: hoe zorg je dat je mensen naar werk begeleidt? Maar ook: hoe zorg je ervoor dat mensen voor wie de sprong naar werk te ver is, volwaardig mee kunnen?”

U heeft nogal wat ophef veroorzaakt door te zeggen dat u zo’n 30.000 Amsterdamse uitkeringsgerechtigden geen sollicitatieplicht meer wilt opleggen omdat die geen reële kans maken op een baan in de nabije toekomst.

Vliegenthart: „We zitten nu met een eigenkrachtadagium, mensen moeten op eigen kracht hun leven op orde krijgen. Maar er is een groep die het niet kan. Voor die groep moet het adagium zijn dat je primaire zorgen wegneemt. Heb ik een dak boven mijn hoofd en houd ik dat?”

Struijvenberg: „Tegelijk zie je een soort normalisering als mensen lange tijd in de bijstand leven. De wens om eruit te komen en de motivatie om er zelf wat aan te doen verslappen.”

Vliegenthart: „Het probleem is niet dat mensen niet willen werken, maar dat er te weinig banen zijn. Bij drievierde van onze bijstandspopulatie is de uitstroom naar werk 1 procent. Heeft het dan zin te zeggen: u moet wekelijks brieven schrijven? Vreselijk ontmoedigend. De werkgevers zeiden ook: bespaar ons die brieven.”

Struijvenberg: „Ik zie het als mijn taak zoveel mogelijk mensen uit de bijstand te krijgen. Er zijn 38.500 Rotterdammers in de bijstand, daar zit van alles tussen, ook mensen die sterker moeten worden geprikkeld.”

Rotterdam ontneemt veel meer mensen (een deel van) hun uitkering dan Amsterdam.

Struijvenberg: „Daar zit een ideologische component in: ik wil dat mensen beseffen wat ze doen voor die 14.000 euro per jaar die ze ontvangen.”

Vliegenthart: „Zowel voor Amsterdam als Rotterdam geldt: als je ons opzettelijk besodemietert, heb je aan ons een kwaaie. Maar wij maken soms een andere taxatie: is dit wel opzet? In Amsterdam heb je veel mensen die door de bomen het bos niet meer zien. We hebben de regelgeving in Nederland wel erg complex gemaakt.

„Neem de oppasoma, die gratis oppast en dan zegt een overijverige ambtenaar: hee, dit zouden wel eens geldwaardeerbare inkomsten kunnen zijn. Daar zeg ik van: wacht eens, de samenleving vraagt dat mensen voor elkaar zorgen. Mensen die dat doen, horen een compliment te krijgen van de overheid, en niet te worden gekort op hun uitkering. Ik denk dat Maarten daar anders over denkt.”

Struijvenberg bromt: „Ik ga geen oma’s korten die oppassen. Als daar geen financiële transactie tegenover staat, dan heet het in Rotterdam ook vrijwilligerswerk of liefde voor de samenleving.”

Vliegenthart: „Mensen hebben een morele plicht tot meedoen. De vraag is alleen of je meedoen kunt afdwingen. En wat het kost om die af te dwingen.”

Struijvenberg: „Het kost niks. We zetten een zinnetje in de brief: als u niet komt, kan dat gevolgen hebben voor uw uitkering.”

Het probleem is niet dat mensen niet willen werken, maar dat er te weinig banen zijn

Arjan Vliegenthart, wethouder Amsterdam


Rotterdam hamert ook op de zogenoemde tegenprestatie: wie geen betaald werk kan vinden, moet desnoods papier prikken.

Struijvenberg: „Mensen die heel moeilijk te bemiddelen zijn, vragen we iets terug te doen voor hun uitkering. Je mag helemaal zelf bepalen wat; het enige wat je niet mag kiezen, is helemaal niks doen. Zo doen we het ook met mensen die juist relatief veel kans hebben op een nieuwe baan. Die komen in een traject van vijftien weken. Twintig uur per week. Acht uur krijgen ze cursussen, vier uur huiswerk en acht uur worden ze geacht betaald werk te verrichten. Je mag het zelf zoeken, je mag het zelf vinden. Lukt het niet, even goeie vrienden, maar dan vragen we je om die acht uur te werken bij ons. En dat is dan vaak papier prikken op straat.

„En we weten dat het werkt, daar is universitair onderzoek naar verricht: van de categorie van de kansrijken vraagt nu 12 procent minder dan voorheen een uitkering aan.”

Vliegenthart: „Ik ben van de school dat je met opgeheven hoofd een uitkering moet kunnen aanvragen. Dat het een recht is. Daar staan verplichtingen tegenover, zeker, maar al die verplichtingen hebben te maken met het vinden van betaald werk.

„Maarten zegt: ik ga mensen met een uitkering verplichten iets te doen waarmee ze niet van hun uitkering afkomen, maar waarmee ik als wethouder aan de maatschappij laat zien dat ze iets terugdoen voor hun uitkering. Het mag wel, de wet biedt hem daar nu de mogelijkheid voor. Maar volgens mij help je daar mensen veel minder mee dan wanneer je ze op een goeie manier begeleidt.”

Struijvenberg: „Het over-, overgrote deel van de mensen die eraan begonnen met tegenzin, alleen omdat het verplicht was, zegt later: toch goed dat ik het heb gedaan. Je hoeft mij niet te geloven. Vraag het ze.”

Vliegenthart: „Ik wil je best geloven, maar ik geloof dat het niet juist is. Met de tegenprestatie wordt de link met betaald werk doorgesneden. De tegenprestatie is juist dat je op zoek gaat naar betaald werk. Dat je probeert onafhankelijk te worden van de uitkering. ”

Waarom vind de staatssecretaris dat dan wel? Die schrijft de Kamer dat Amsterdam het beleid rond de tegenprestatie niet op orde heeft.

Vliegenthart: „Dat moet je de staatssecretaris vragen. Ik vind het verkeerd, ideologisch en politiek, om te zeggen: u heeft een uitkering en nu gaan we u nog iets extra’s vragen in uw toch al benadeelde situatie.”

U ziet het als een straf.

Vliegenthart: „Het ís een straf.”

Struijvenberg: „Het is geen straf.”

Vliegenthart: „Er wordt een straf gezet op het geen gevolg geven aan de verplichting. Waarom zouden jullie het anders onder je brief schrijven?”

Struijvenberg: „Hoe goed het ook werkt, het maakt jou niet uit, want er zit een ideologisch verschil tussen ons. Zeg niet dat het niet werkt, zeg niet dat het een straf is, want dat is gewoon niet waar.”

Vliegenthart: „Wat Rotterdam doet is: ook al blijf je in de uitkering zitten omdat je nu eenmaal ‘moeilijk bemiddelbaar’ bent, dan is ons doel niet: we leiden je naar werk. Nee, je blijft binnen de bijstand en om die bijstand te kunnen behouden, moet je een tegenprestatie leveren. Op straffe van het opzeggen van je uitkering.”

Struijvenberg: „Je kunt ook een cursus volgen hoor.”

Vliegenthart: „Ja, maar de cursussen moeten er dan toe leiden dat je aan het werk komt. In Amsterdam bieden we ook cursussen aan, maar dan alleen cursussen die je kansen op de arbeidsmarkt vergroten.

„Van Kampen aan de Uva heeft er onderzoek naar gedaan. Daaruit blijkt dat verplicht vrijwilligerswerk doen, een nadelig effect heeft voor mensen in de bijstand. Mensen die vrijwilligerswerk doen, zeker als hun afstand tot de arbeidsmarkt groot is, raken minder gemotiveerd om een betaalde baan te vinden.”

Struijvenberg: „Stuur dat onderzoek maar eens op. Als het niet goed is wat we doen, doen we het niet.

„Wel bijzonder dat Arjan concludeert dat je sneller uitstroomt als je een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebt en geen vrijwilligerswerk doet.”

Vliegenthart: „Nee!”

Vindt u de Rotterdamse tegenprestatie belangrijk voor de solidariteit in de verzorgingsstaat?

Struijvenberg: „Ja, dat is een van de diepere redenen. Om het uit te leggen aan de belastingbetaler. We hebben in Nederland met alle plussen en minnen een uitgebreid sociaal stelsel – dat ik erg steun. Maar in de afgelopen 20 jaar heb ik het draagvlak voor dat stelsel zien afnemen. Mede natuurlijk doordat er te gemakkelijk uitkeringen zijn verstrekt. Dan krijg je verhalen als ‘alle bijstandstrekkers zijn bankzitters’. Ik weet dat het niet waar is. In Amsterdam ook niet. Maar het moet ook niet mogelijk zijn om een bankzitter te wezen.”

Vliegenthart: „Geen woord van verschil tussen mij en Maarten over dat draagvlak. Maar dat creëer je op twee manieren. Door te zorgen dat je handhaaft waar het nodig is. Maar ik vertel ook een ander verhaal. Ik vertel dat het voor sommige mensen, zelfs met een zetje in de rug, niet altijd mogelijk is. En dat moet je ook nationaal in de politiek vertellen, zo creëer je draagvlak.”

Dan moet Arjan Vliegenthart weg. Maarten Struijvenberg steekt bij de auto nog een sigaretje op. Het lijkt ineens een grappige omkering: de gereformeerde Vliegenthart als de rekkelijke in zijn werk, remonstrant Struijvenberg de precieze.

Struijvenberg kijkt verstrooid op. „Remonstrant?”

Uw vader was toch koster van de remonstrantse kerk?

Hij schudt het hoofd. Zijn vader was dan wel koster, maar niet remonstrants. „Het was een baantje en een woning. Toen ik nog echt klein was, lazen we ’s avonds wel een stukje uit de bijbel. Dat duurde niet altijd heel lang.”