Column

Economische kracht is politieke macht

Er zeurt al een poos een kiezelsteentje in onze schoen. Het is made in China en de irritatie neemt toe. In 2001 beloofden we als EU aan China het land uiterlijk in 2016 te erkennen als ‘markteconomie’. Een benaming waarvan miljoenen Europese banen afhangen en die voor China een trofee is.

Eerst een stukje techniek. Bij toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in 2001 sprak men af dat het land mocht worden beschouwd als ‘niet-markteconomie’. Die clausule stelt importerende landen in staat antidumpingheffingen op te leggen om te voorkomen dat kunstmatig goedkope Chinese spullen hun markten overspoelen. Met het aflopen van de clausule op 12 december 2016 verdwijnt deze verdedigingswal. Volgens een werkgeversrapport kost dit mogelijk 1,7 à 3,5 miljoen banen; de Europese staalindustrie krijgt de hardste klap. Deze week sprak het Europees Parlement zijn zorg uit. Er zitten drie aspecten aan het debat. Juridisch: geeft het aflopen van de clausule China automatisch de markteconomiestatus? Sommigen betwisten dit, maar in Beijing kwam het zeker wel zo over. Economisch: welke sectoren in welke EU-landen worden hoe hard geraakt? Landen met veel maakindustrie vrezen banenverlies, terwijl vrijhandelaars zoals Nederland, Groot-Brittannië en Zweden in lagere prijzen ook voordelen voor consumenten en importeurs zien. Politiek: komt China met represailles als we onze belofte geen gestand doen? Sluit het land zijn markt voor Franse wijn of Hollandse tulpen om het Europese front uiteen te spelen?

Achteraf is de vraag hoe we zo naïef konden zijn. Waarom zetten we de deur bij voorbaat wijd open voor made in China, zonder adequate verdediging te voorzien? Natuurlijk, in 2001 leek het jaar 2016 ver weg – China was aan het liberaliseren, van handel werd eenieder beter, wie dan leeft wie dan zorgt. Het was een optimistische tijd; de jaren van Bill Clinton net voorbij, bij ons Paars-II nog aan de macht. Zulke zorgeloosheid verklaart al iets. Maar er is meer. In twee opzichten miskenden we hoezeer handel politiek is. Ten eerste: we zagen globalisering als een economisch en niet als een machtspolitiek fenomeen. We prezen de grotere koek. We applaudisseerden voor de welvaartsgroei voor honderden miljoenen mensen in de wereld, van Polen en Vietnam tot Oeganda of China – inderdaad een enorme vooruitgang. Maar we vergaten liever nog even dat economische kracht zich onherroepelijk vertaalt in politieke macht. Dat een rijk China zich anders gedraagt dan een arm China. Inmiddels leren we bij…

De tweede veronderstelling over de relatie tussen handel en politiek die ons parten speelt: we hebben geleerd vrijhandel te beschouwen als technische oplossing voor een technisch probleem, voor optimale verdeling van productiefactoren. Handel als techniek. Daarom zijn het in de EU de experts van de Europese Commissie die achter gesloten deuren met onze internationale partners onderhandelen. Ook in dit opzicht leren we bij. In het steeds fellere debat over TTIP – in Duitsland is nu zeventig procent van de bevolking tegen, in Nederland staat de teller op 150.000 handtekeningen voor een referendum erover – blijkt dat het inzake handel ook om politieke opvattingen gaat, om keuzes tussen waarden, tussen belangen. Terecht wil het publiek dus meepraten.

Terwijl het verzet tegen het handelsakkoord met de VS vooral voortkomt uit opvattingen over arbeids-, milieu- of privacystandaarden, staan in de handelsrelatie met China veel banen op het spel. Als dit besef doorbreekt zal ook het Chinadebat flink warmer worden. Dan moeten harde keuzes worden gemaakt.