Nederland moet eens werk maken van hogere lonen

Het is onjuist om goedkope lonen te verdedigen omdat ze meer banen zouden opleveren, meent Melvyn Krauss.

De Nederlanders moeten ophouden zichzelf te zien als een kleine open handelseconomie die goedkope lonen nodig heeft om haar handelsoverschot op te drijven.

Om te beginnen strookt dit verhaal niet met de huidige werkelijkheid. Nederland is namelijk geen kleine open handelsmacht die mee moet liften op de buitenlandse vraag, maar onderdeel van een grote en in wezen gesloten economie genaamd de eurozone, waarin de welvaart afhangt van een krachtige en duurzame binnenlandse vraag.

Zelfs voor een kleine open handelseconomie is het slecht beleid om met behulp van goedkope lonen het handelsoverschot op te drijven.

Al in 1776 leerde Adam Smith ons dat de rijkdom van een land zich uit in de levensstandaard van de burgers en niet in de handelsbalans. Lage lonen leiden niet tot een hoge levensstandaard.

Dat het Nederlandse overschot op de lopende rekening als percentage van het bruto binnenlands product sinds 2010 meer dan verdubbeld is, doet vermoeden dat de Nederlanders nog altijd af moeten van hun al te grote nadruk als klein land op de export.

Te veel van de Nederlandse productie gaat naar buitenlandse consumenten en te weinig naar de Nederlandse. Het gevolg van deze onevenwichtige of verkeerde besteding is dat de algehele Nederlandse levensstandaard lager is dan het land met zijn beschikbare middelen zou kunnen bewerkstelligen. Daar wijst Adam Smith ook op.

Het is onjuist om goedkope lonen te verdedigen omdat ze meer banen voor het land zouden betekenen. Ze betekenen meer banen voor de exportsector, dat wel. Maar deze banen gaan ten koste van banen in de binnenlandse sector en die verkeerde besteding heeft een nadelige uitwerking op de algehele Nederlandse levensstandaard. De topman van De Nederlandsche Bank, Klaas Knot, heeft hier iets op verzonnen en dat is een goede oplossing: een loonsverhoging in de grote exportsector van het bedrijfsleven, waar de winsten een vlucht nemen.

Omdat de werknemers die van de loonsverhoging profiteren het geld vermoedelijk eerder zullen besteden dan de grote bedrijven die het kwijtraken (vooral als de loonsverhoging wordt bekostigd uit het spaargeld van bedrijven), zouden de Nederlandse binnenlandse vraag en consumptie door deze inkomensoverdracht moeten stijgen. Maar de analyse reikt nog verder.

Door de loonstijging zullen de productiekosten in de exportsector omhoog gaan, met als gevolg een verlaging van het handelsoverschot en een stroom van middelen uit de export naar de binnenlandse sector om de groeiende binnenlandse consumptie te ondersteunen.

Dat is precies het soort verandering dat Nederland nodig heeft ter bestrijding van zijn probleem: het opgedreven handelsoverschot tegenover de zwakke binnenlandse vraag.

Wat ook kan helpen is een einde aan de loonstop voor Nederlandse ambtenaren die nu al tien jaar duurt.

Een einde aan deze loonstop zou niet alleen rechtstreeks bijdragen aan de Nederlandse binnenlandse vraag, maar ook loonsverhogingen in de particuliere sector kunnen afdwingen.

Een van de grootste boosdoeners van de lage loongroei in Nederland is de loonstop voor ambtenaren geweest. Het mooie van een einde daaraan is dat hiermee in één beleidsmaatregel een vorm van fiscale overheidstimulering met een loonstijging in de particuliere sector wordt gecombineerd.

Tot slot moet worden opgemerkt dat ook Bundesbankpresident Jens Weidmann voorstander van loonsverhogingen is ter correctie van het Duitse probleem van een opgedreven handelsoverschot tegenover een zwakke binnenlandse vraag.

Duitsland is allerminst een klein land. Blijkbaar zijn de kleintjes niet de enige die aan ‘overexport’ lijden.