‘Mozart bereikt het kind in ons’

Iván Fischer dirigeert nog zo weinig mogelijk ‘normale’ concerten. Zijn Budapest Festival Orchestra ziet hij als een proeftuin. In het Concertgebouw dirigeert hij deze week Mozarts ‘Requiem’ en ‘Die Zauberflöte’.

De Hongaarse dirigent Ivàn Fischer: „In essentie isDie Zauberflöte een sprookje.” Foto Olivier Middendorp

Vorige maand bespeelde hij een Alpenhoorn. Om het (nieuwe) publiek van de serie Essentials van het Concertgebouworkest te laten horen dat Brahms het in zijn Eerste symfonie ook ergens vandaan haalde. Dat was koud twee dagen nadat hij de abonnementshouders van de reguliere concertseries had opgeschud door Bachs Magnificat in te bedden met Gregoriaanse antifonen. „Op zich ben ik er niet tegen in rokkostuum een conventioneel concert te dirigeren”, zegt hij. „Maar liefst zo min mogelijk. Mijn agenda is nu voor negentig procent gevuld met meer experimentele concertvormen. Die vind ik interessanter.”

Fischer – die een zangerig, vloeiend Nederlands spreekt met slechts af en toe een exotische klemtoon - heeft nog altijd een huis in Amsterdam, rudiment uit de tijd dat hij hier een gezin had. Nog steeds is hij er regelmatig, met name voor concerten met het Concertgebouworkest. Maar het gros van zijn tijd verdeelt hij over Berlijn, waar hij chef is van de Berliner Symfoniker, en zijn eigen orkest in Budapest.

Fischer richtte zijn Budapest Festival Orchestra (BFO) in 1983 op als proeftuin. Musici spelen vanaf het eerste uur ook kamermuziek, inmiddels moeten ze soms ook zelf zingen, en staan óók barok en Transsylvanische volksmuziek op het programma, vertelt Fischer. Het BFO speelt concerten om middernacht (voor jongeren), kinderconcerten met warme choco, zitzakconcerten waarbij je tussen de musici op het podium mag zitten en concerten in bejaardenhuizen. Talrijk zijn ook de experimenten met muziektheatrale presentatievormen (legendarisch voorbeeld: een bolero van Ravel waarbij een danseres uit een kookpot omhoog kroelde).

Volgende week is Fischer met zijn orkest voor twee concerten in Amsterdam. De tweede avond is gewijd aan het Requiem, de eerste aan een semi-scenische uitvoering van Mozarts opera Die Zauberflöte. „Maar noem het niet semi-scenisch”, nuanceert hij, de lichtgrijze ogen in citrusstand. „Als een zanger al maar een beetje toneel speelt, is er sprake van theater. ‘Semi’ suggereert halfbakken, terwijl ik juist denk dat dit soort experimenten zeer waardevol is. De bloeitijd van operaregisseurs die het zoveelste ‘concept’ verzinnen, is bezig aan zijn laatste stuiptrekkingen. De toekomst ligt in een hernieuwde focus op de essentie.”

Bijvoorbeeld?

„Er zijn talloze voorbeelden, ook buiten de opera. Je kunt een passie van Bach uitvoeren, maar waar gaat die muziek over? Lijden is niet het exclusieve domein van Christus, het is van alle tijden. Dan dirigeer ik liever een programma waarin ik excerpten uit Bachs passie koppel aan nieuw gecomponeerde muziek van bijvoorbeeld Syrische of Armeense componisten. Zo’n brug naar het heden maakt het betekenisvoller en interessanter.”

U koppelt nu Die Zauberflöte aan het Requiem. Welk idee zit daar achter?

„Beide ontstonden in Mozarts laatste levensjaar, waarin hij een nieuwe componeerstijl toont. Ik vraag me af welke muziek zou zijn ontstaan als hij nog dertig jaar langer had geleefd. Wat als hij de Romantiek had meegemaakt? De overgang van een objectieve bon gout naar een individueler, vrijscheppend elan ? De superieure eenvoud en creatieve vrijheid van Die Zauberflöte geven een notie van wat het antwoord op die vraag had kunnen worden.”

Maar in de Da Ponte-opera’s – Le Nozze, Don Giovanni, Così – worden toch ook op superieur invoelende wijze grote emoties bezongen?

„Zeker, maar Mozart zelf blijft daarbuiten. Zijn hofopera’s zijn Shakespeareaans: alle personages zijn geloofwaardig, begrijpelijk en menselijk, maar wat vindt Mozart nou echt van Don Giovanni’s veroveringen en moraal? Daar kom je niet achter.

Die Zauberflöte is van een andere orde. Niet beter; er is geen noot te verbeteren aan Don Giovanni. Wel fundamenteel anders. Ik zie gewoon voor me hoe Mozart en zijn librettist Schikaneder tijdens een potje biljart plannen smeedden voor een spektakelopera voor de gewone man. Wat stoppen we er allemaal in? Een koningin die uit de hemel komt! Wijze kinderen! Beesten! En dan ook nog, en wel zeer precies, de vrijmetselaarsrituelen én een liefdesintrige én een humanistische boodschap. De eenvoud en het naturel die lagen tot uitdrukking worden gebracht, en dan ook nog met ernst én humor, is zeer gewaagd en baanbrekend.”

U kiest zelf voor een benadering met zangers op het podium, orkest in een geïmproviseerde bak en een diavoorstelling met eenvoudige tekeningen. Hoe doet u die gelaagdheid dan recht?

„In essentie is Die Zauberflöte een sprookje. Maar er zit zoveel wijsheid in dat het ook volwassenen raakt, en het kind in ons bereikt. Dát is het genie! En daarom wilde ik dat de enscenering zelf ook een sprookjesboek zou zijn, naïef maar met oog voor de complexe wijsheid. Ik heb zeer veel Zauberflötes gezien die of serieus, of komisch, of magisch, of kinderachtig waren. Maar het gaat juist om de combinatie.”

En u wilt niet hineininterpreteren.

„Ik zie interpretatie überhaupt niet als iets persoonlijks. Hopelijk weet en begrijp ik nu meer dan veertig jaar geleden, en zal ik de componisten wier werken ik uitvoer over tien jaar nog weer verder kunnen benaderen dan nu. Maar met ‘mij’ heeft dat niets te maken, het is een kwestie van steeds dichterbij begrip van de bron komen, en die recht willen doen.

„Persoonlijk is voor mij wel dat ik me in de late Mozart herken, me aan hem verwant voel. Ik herken zijn uitbraakneigingen. Weg van de conventies, naar de mensen toe.”