Lente

De buren gaan op vakantie en ik krijg de stokoude kanarie te logeren, met instructies.

„Elke ochtend zeg ik ‘lululululululu’”, vertelt de buurvrouw, „maar Pietje zingt niet.” Of ik deze traditie desondanks wil voortzetten, want „je weet maar nooit”.

Verder moet het bad elke dag ververst, want „ze drinkt badwater” en gaat er ’s avonds een zwart doek over de kooi: „Gooi het niet in de was, want ze is gewend aan de geur.” De lap ruikt naar de zware aftershave van de buurman.

De tuindeur staat open. Het is volop lente. Misschien vergeet ik het deurtje wel te sluiten.