Kunstenaars wel succesvol in buitenland

Hoezo wordt het geld voor internationaal cultuurbeleid slecht besteed? Zes cultuurfondsen reageren op „onzorgvuldig rapport”.

Voor de Utrecht Stoel (1936) van Gerrit Rietveld ontwierp Bertjan Pot de stof BoxBlocks, opdracht van het Italiaanse Cassina.

In berichtgeving in verschillende kranten zijn de afgelopen dagen nut en noodzaak van het internationaal cultuurbeleid van de departementen van OCW en BZ sterk in twijfel getrokken. Er rijst een beeld van allerlei projecten die ondersteund worden zonder dat uitgaven en opbrengsten duidelijk zijn. De berichtgeving is gebaseerd op een rapport van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB), dat helaas veel onjuistheden bevat. Omdat ook de rol van de cultuurfondsen aan de orde komt, vinden we het van belang te adresseren waar we het nu eigenlijk over hebben.

Bijna dagelijks is er wel een kunst- of cultuurmaker te gast in een populaire talkshow of maakt een krant melding van de internationale successen van de Nederlandse kunst- en cultuursector. Dat succes is zonder uitzondering het gevolg van de inspanningen die deze kunstenaars (en de organisaties rondom hen) zich getroosten om hun werk de grens over te krijgen. In veel gevallen spelen ook de zes rijkscultuurfondsen een rol, door stimuleringssubsidies te verstrekken, door manifestaties te initiëren en organiseren, door voorwaarden te scheppen die succesvolle internationale coproducties en presentaties van Nederlandse kunsten in het buitenland mogelijk maken.

De berichtgeving de afgelopen dagen in NRC, De Telegraaf, het Haarlems Dagblad en het Leidsch Dagblad over de manier waarop die cultuurfondsen dat doen wekt de indruk dat van een weloverwogen beleid geen sprake is. Het is blijkbaar een wonder dat Nederland er internationaal zo goed op staat (de jaarlijkse NRC Cultuur Top 100 geeft daarvan een aardig beeld; veel van de namen op die lijst ontvingen op enig moment in hun carrière een financieel fonds-duwtje in hun rug).

De kranten baseren zich op een recent rapport van de IOB over het Internationale Cultuurbeleid in de jaren 2009-2014. Vraag is echter of dat rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en of de gekozen wijze van evalueren niet eerder getuigt van tunnelvisie dan van een objectief onderzoek.

Natuurlijk mag de werkwijze van de rijkscultuurfondsen altijd kritisch onder de loep worden genomen en natuurlijk moeten fondsen zich verantwoorden over hun besteding van publiek geld. Maar er zijn ten minste twee zaken die correctie behoeven, in het belang van de nationale en internationale positie van de vele Nederlandse kunst- en cultuurmakers op wie de berichtgeving negatief afstraalt.

Allereerst wordt de indruk gewekt dat in het buitenland exorbitante bedragen aan cultuurmiddelen worden uitgegeven. In werkelijkheid richtte het onderzoek zich op een klein deel van de praktijk van de fondsen; van de 4,7 miljoen euro die OCW voor internationalisering van cultuurbeleid in 2016 beschikbaar heeft, ontvangen de fondsen 2,9 miljoen. Het gaat dus om een fractie van het totale budget van de fondsen (155,7 miljoen euro). Hoe klein ook, dit budget is van groot belang, omdat het in bijna alle gevallen werkt als katalysator voor de inspanningen om Nederland in het buitenland te (re)presenteren. Dat brengt ons bij de tweede correctie: het IOB suggereert dat over het resultaat van de bestede bedragen geen gegevens bekend zouden zijn. Maar waarom zouden de cultuurfondsen geen verantwoording willen afleggen als de effecten zo evident zijn? Op de websites van alle rijkscultuurfondsen staan hun jaarverantwoordingen, evaluatierapporten van hun subsidieregelingen en het visitatierapport dat een onafhankelijk commissie opstelde over het functioneren van de fondsen. Waarom het IOB dit alles niet (of maar zeer gedeeltelijk) betrekt in haar onderzoek en vervolgens concludeert dat niet vast te stellen zou zijn welke resultaten er zijn bereikt? Wij weten het niet.

Laat duidelijk zijn dat ook de cultuurfondsen menen dat verbeteringen in het internationaal cultuurbeleid mogelijk en nodig zijn. De brief over toekomstig beleid, die de ministers daarover aan de Tweede Kamer stuurden, onderschrijven wij en aan de uitvoering ervan zullen wij enthousiast en zorgvuldig meewerken. Omdat wij het aanzien van de Nederlandse kunst en cultuur in Nederland én in het buitenland hoog in het vaandel dragen.