Column

Kuijt leefde nog

Door omstandigheden moest ik de eerste helft van de bekerfinale via de autoradio horen. Ik reed over de snelweg naar Rotterdam. Waarom mocht ik maar 100 kilometer per uur rijden? „Het wil nog maar geen wedstrijd worden. Het weer hier boven de Kuip is spannender. Het regent, maar de zon schijnt. Waar blijft de regenboog?”

Ter hoogte van Delft – het stond 0-0 – zag ik de skyline van mijn stad verschijnen. Ik dacht aan al die zenuwachtige Feyenoorders met hun fatalistische inslag; nog te bang om naar de wedstrijd te kijken, het ging straks toch weer mis.

Ik parkeerde in mijn straat. Doelpunt voor Feyenoord. Een lepe kopbal van Kramer, hoorde ik. Ik liet de radioverslaggever het doelpunt nog een keer beschrijven en dacht terug aan mijn vader: hij bleef ’s avonds ook voor ons huis in zijn auto zitten om het nieuws van zes uur te horen.

Eenmaal binnen slurpte ik de pasta naar binnen. Een volle maag tegen de komende spanning kon geen kwaad.

Na een helft met radio, zat ik nu op de eerste rij voor de televisie.

Het werd een spannende strijd, zonder goed voetbal. Utrecht wachtte na de 1-1 af, Feyenoord speelde behoedzaam op de aanval.

Er kwam een sjaal close in beeld. De letters in de wol waren goed te lezen: Daar aan de Maas bij Brienenoord, dat is Feyenoord. Een van de strofes uit het mooiste clublied van het land. Eronder zag ik het hoofd van de supporter: diepe groeven in het voorhoofd van het wachten op een prijs.

Elia schoot op doel. De keeper van Utrecht raakte de bal nog aan: 2-1.

Feyenoordtrainer Giovanni van Bronckhorst kwam in beeld. Bewierookt en uitgekotst, in één seizoen. Hij bleef er altijd fatsoenlijk onder. Maar nu zag ik een bolletje wit spuug uit zijn mond vliegen. Het vuil van het seizoen moest eruit.

Om voetballen ging het niet meer, alleen nog om het verstrijken van tijd. Het been van Karsdorp haperde, de rug van Kramer zat op slot.

Dirk Kuijt ging op een brancard van het veld. Of hij van het oorlogsfront in zijn kist was gedonderd: zo bleek zag de aanvoerder. Mevrouw Kuijt kwam in beeld, eenzaam met de kindjes om haar heen. Met een zonnebril in het donkere haar moest ik – heel even maar – denken aan Jackie Kennedy.

Maar Kuijt leefde nog.

Langs de lijn had hij een stopwatch in zijn hand en telde de laatste seconden mee. Afgelopen. Kuijt strompelde naar de camera: „Het gevoel is onbeschrijfelijk. Dit is mijn mooiste prijs ooit.”

Ik bracht mijn lege bord naar de keuken en keek voldaan naar buiten. De hemel was blauw boven Rotterdam, al zag ik in de verte alweer een grijze wolk naderen.