KCO: flamboyante Tsjaikovski

In de aanloop naar Tsjaikovsky’s opera Pique dame die het Concertgebouworkest bij DNO begeleidt deze zomer, speelt het orkest veel werk van Tsjaikovsky én van andere Russen. Zoals Rachmaninov, een specialiteit van de Russisch-Amerikaanse dirigent Semyon Bychkov. Tsjaikovsky’s Fantasie-ouverture Romeo en Julia is het veelbelovende begin van een opera die er nooit is gekomen. De waaier van dramatische schakeringen die erin besloten ligt werd door Bychkov mooi voor het voetlicht gebracht. De furieuze tutti hadden een schroeiende rauwheid, al konden de Sacre du printemps-achige ritmes iets meer punch hebben. Tsjaikovsky’s opera Jevgeni Onegin kwam er wél. Daaruit zong sopraan Kristine Opolais de briefaria, waarin Tatyana Onegin haar liefde verklaart. Dat deed ze, met theatrale gebaren en toenemende intensiteit, net iets flamboyanter dan ze vocaal waarmaakte, al was de publieke instemming massaal.

Bychkov is een graag geziene gast in Amsterdam en het orkest speelde voortreffelijk onder zijn leiding. Bychkov nam de tijd – op haastige tempi zul je hem niet betrappen – en vermeed spektakel en effectbejag. Op onnadrukkelijke wijze eiste hij totale concentratie van zijn musici. En dat klonk, vooral in Rachmaninovs Symfonische dansen, spectaculair.

Vanaf de beukakkoorden van de introductie, eerder statig dan woest, bezat de uitvoering een bezonken urgentie. De houtblazerssoli uit het eerste deel waren schitterend, met een hoofdrol voor de ongebruikelijke altsax, en creëerden een sensatie van gewichtloosheid.