Column

Frauderen

In een volgend leven wil ik VVD-wethouder in Roermond, projectontwikkelaar of aannemer worden. Het zijn weliswaar over het algemeen goudeerlijke beroepen, maar mijn indruk is dat ze wat meer speelruimte bieden voor creatief bijverdienen dan het beroep van columnist – want dat blijft maar behelpen met zielige bonnetjes die door een strenge boekhouder tot achter de komma worden nagerekend.

Zo word je nooit rijk. De kleinburger in mij wil ook weleens, net als Jos van Rey, met een privéjet naar Cannes om daar een nachtje te slapen in de Corner Suite van het InterContinental Carlton, bestaande uit „een suite met twee slaapkamers, twee badkamers en een balzaal als salon”, zoals onze verslaggevers likkebaardend optekenden.

Ik wil best toegeven dat Van Rey en zijn grote vriend Piet van Pol belangrijke inspiratiebronnen voor mij zijn, maar het is wat flauw om telkens weer naar hen te verwijzen als het woord fraude valt. Dat is te veel eer voor deze heren. Zij hebben de fraude niet uitgevonden, ze hebben alleen maar de voordelen ervan op een overtuigende manier over het voetlicht gebracht. Mógen ze?

Ze staan ook niet alleen, zoals de overvloedige publiciteit over hen lijkt te suggereren. Zo bracht het Dagblad van het Noorden deze week een interessante onthulling over fraude bij de Rijksuniversiteit Groningen. De verslaggevers Carlien Bootsma en Peter Keizer schreven dat de chef technisch beheer van de RUG, Hans G., gearresteerd is op verdenking van oplichting van zijn werkgever. Hij was 33 jaar bij de universiteit in dienst en zou in die jaren steekpenningen hebben gekregen van allerlei installatie- en bouwbedrijven.

„Hans krijgt de beschikking over miljoenen, kan alleen bepalen met welke bedrijven de universiteit samenwerkt. Tegelijkertijd houdt hij iedereen om zich heen tevreden, door Sinterklaas te spelen.”

Hans regelt voor zijn zoon en schoondochter baantjes bij het installatiebureau Mennes & Jager van Jan J., die in ruil daarvoor twaalf van zijn monteurs jarenlang voor de RUG kan laten werken. Hans laat zijn huis opknappen door Mennes & Jager, de RUG betaalt het materiaal.

Aan zijn goede vriend Marinus P., eigenaar van technisch bureau Postma, gunt Hans weer andere onderhoudklussen. Bovendien pikken zij samen spullen van de RUG in, zoals displayborden en podia, die ze vervolgens aan de RUG verhuren. „Sterke vermoedens dat het niet goed zat rond Hans zijn er al jaren, maar het spel is sluw gespeeld, beamen RUG-medewerkers.”

Hans was volgens mij zelfs sluwer dan Jos van Rey. Hij huurde geen Corner Suite in Cannes, maar ging in versleten kleding naar zijn werk, reed geen dure auto en bewoonde een gewoon huis. „Hans zorgt wel dat aan hem niet af te zien is dat hij tonnen via de achterdeur binnen sluist.”

Bij de RUG zweten ze nu penen. Er zou een cultuur van veel vrijheid en weinig controle heersen. Tenminste acht medewerkers hebben ook geprofiteerd van Hans’ dealtjes met klusbedrijven.

Hoe kon het zover komen? De standaardvraag bij dit soort zaken. Meestal komt het neer op te veel macht bij één persoon en te veel lafheid en luiheid bij degenen die boven hem gesteld waren. Ook is er, zoals in Groningen, vaak een soort klokkenluider naar wie niet goed geluisterd werd. De werkelijkheid is dikwijls zo clichématig als een slappe B-film.