Er is niet voor niets Heel Veel van Mij

Over Marseille. Gerard Dépardieu. Mariken. Conceptual Art in Britain. Glenn Close.

Marseille heet de nieuwe Netflix-serie. Ik had ’m in drie dagen uit. Heerlijk slordig, lekker smerig. Een klassieke tragedie omgebeukt tot politieke thriller. Veteraan Gerard Dépardieu speelt de hoofdrol en dat doet hij weergaloos – let op de gevoelens die hij over zijn gezicht laat vliegen. Ho. Stop. Begin nu niet over zijn band met Poetin en dat hij zo dik is. Is niet aan de orde. Er zijn meer filmsterren met curieuze politieke en/of religieuze voorkeuren maar daar hoor je de farizeeërs van de verantwoording nooit over. En het gaat al helemaal niet aan om te zeuren over Depardieu’s mateloosheid. Ik tel mijn zegeningen en geniet van zijn Marseillaanse burgemeester, die juist via zijn ware lichaam zijn gewicht laat gelden: ik heb de macht en terecht, er is niet voor niets Heel Veel van Mij.

Overal verschenen recensies van Marseille, en elke kritiek kwam uit op hetzelfde: de serie haalt het niet bij House of Cards.

Nee. Natuurlijk niet. Daar heeft het namelijk niks mee te maken. Wel met de zaak-DSK en het agressieve seksisme in de Franse politiek. Wel met de banlieue-maffia à la Gomorra (ook zo’n goeie serie). En niet te vergeten, wel met het nihilisme van Michel Houellebecq in wiens romans seks een ruilmiddel is, en de kunst van de verleiding overbodig.

Dat afschrijven van de verleiding wil er bij mij niet in. Als het verdwijnt dan moeten we het weer uitvinden. Dan moeten we bijvoorbeeld niet dulden dat het middeleeuwse wagenspel Mariken van Nieumeghen voor de jeugdvoorstelling Mariken is ontdaan van die verleiding – die het verhaal juist zo grandioos maakt. Immers, Mariken wéét dat de man op wie ze valt de duivel is en tóch heeft ze geen verweer. Hij „sprak van liefde, ’t oud verhaal / en zij geloofde het allemaal” zoals Lennaert Nijgh dat effect formuleerde in zijn song Meisje van 16. Verleid worden is te heerlijk, dat is de kern. Ja, ik snap dat een kinderpubliek om aanpassing van het verhaal vraagt. Maar Mariken reduceren tot tomboy (een sekseloos meisje) en de duivel tot gevaarloze pias – daarmee vermink je het verhaal en geen kind dat er iets mee opschiet.

In Londen loop ik met een fikse sinaasappel in mijn hand door de zalen die Tate Britain wijdt aan Conceptual Art in Britain 1964–1979. Ook enkele andere bezoekers namen er een. We pakten hem van de 6.000 sinaasappels grote piramide. Op een bordje staat dat dat mag en ook of we hem please niet in het museum willen opeten. Soul City heet dit werk. Het zal af zijn als het weg is, en alle sinaasappelen meegenomen. De Zuid-Afrikaan Roelof Louw lanceerde het concept in 1967.

Ik verlaat het museum, en ga naar het theater, waar ik Glenn Close zie spelen in de musical Sunset Boulevard. Zingen kan ze niet echt, ze doet meer alsof. Net als haar personage Norma Desmond doet of ze nog altijd een Grote Ster is. Dus dat klopt. Close is zo goed, ik geniet.

’s Avonds schop ik mijn schoenen uit. En denk: wat is mijn tas toch zwaar. Ik graaf erin. Wat is dat nou? De sinaasappel. Die verbindt me op slag met de Tate en met iedereen die Soul City bekeek. Dat is de bedoeling van kunst. Je maakt het je eigen en neemt het mee. De wereld in. Je leven in.