Appels verf gaat aan de wandel

Het is hoog tijd voor een rampenplan om de werken van Karel Appel te redden van de ernstige conditieproblemen waar ze mee kampen, zegt een prominente kunstexpert.

Fragment van 'Mensen in beroering', 1961

Massaal verfverlies

Met een verfonderzoeker naar de schilderijen van Karel Appel kijken, voor een kunstliefhebber is het geen pretje. Als Jaap Boon op het grote Appel-retrospectief in het Haags Gemeentemuseum voor Mensen in beroering staat, een groot doek uit 1961 met dikke, woest aangebrachte lagen verf, steekt hij een minicollege af dat je met andere ogen naar kunst leert kijken.

Hij wijst naar een waterval van geelbruine druppeltjes op een witte verfmassa. Boon: „Hier traant het schilderij en komt een geoxideerde deelfractie van het oliemedium door de verfhuid naar buiten.”

Dan attendeert hij op soms wel vijftien centimeter lange witte plekken waar de verf van het doek is gevallen. Vervolgens wijst hij op nog veel grotere vlakken met een curieuze, ribbelige huid. „Korstvorming. Onder dat vel is een nieuw soort materiaal ontstaan dat niet meer in de verf past en soms ook druipers vormt.”

Daarna wijst hij op verschillende dikke verflagen met een gladde, glimmende huid: „Hier is de kwaststreek verdwenen, omdat de verflaag zacht wordt en als het ware aan het smelten is.”

Gebroken verfhuid

Wandelend over de tentoonstelling gaat Boon nog even door. Op diverse doeken wijst hij grillige patronen aan, waar de verf aan de wandel lijkt te zijn gegaan. Elders zijn door de zwaartekracht verfdelen soms centimeters verzakt. Of is de verfhuid gebroken en hangen brokken losjes aan het doek.

En dat, doceert Boon, zijn de met het blote oog zichtbare gebreken. Een dag eerder heeft hij in het voor publiek gesloten museum in alle rust met een microscoop naar schilderijen kunnen kijken. Daar zag hij verschijnselen die hij eerder ook al op andere plekken bij Appel had geconstateerd.

In de vijfentwintig jaar dat hij onderzoek doet naar verouderingsverschijnselen van kunst heeft Boon alleen grotere conditieproblemen gezien bij Anselm Kiefer, de Duitse kunstenaar die in zijn schilderijen betonijzer, klei, stro verwerkt die van het doek vallen. Maar afgezien daarvan heeft de onderzoeker geen oeuvre onder ogen gehad met zoveel conditieproblemen als dat van Appel. „In deze mate, dat ben ik nog niet eerder tegengekomen.”

Het is tijd voor een calamiteitenplan voor de bekendste naoorlogse Nederlandse schilder, zegt Boon. Op de overzichtstentoonstelling in Den Haag hangt bijna geen schilderij zonder conditieproblemen, zegt hij. Bij andere expressionistische schilders uit de jaren vijftig, zoals Asger Jorn, Pierre Soulages en Jean-Paul Riopelle, heeft hij vergelijkbare problematiek geconstateerd, maar toch minder dan bij Appel. Is dat een „act of God”, zoals Boon het formuleert, of moet de verklaring worden gezocht in Appels werkwijze?

Appels gewoonte om verf rechtstreeks uit de tube op doek te smeren zou een verklaring kunnen zijn voor het verfverlies op zijn doeken, zegt Boon. „Die techniek zorgt voor een beperkt contactvlak met de drager.” Maar voor de chemische problemen is nader onderzoek noodzakelijk, zegt hij. „Je moet eerst in detail de problemen in kaart brengen voor je na kunt denken over oplossingen om ze in te dammen.”

Rijksmuseum

Boon doet sinds anderhalf jaar onderzoek naar Appel. Het Noorse Henie Onstad Kunstsenter riep zijn hulp in voor Appel-schilderijen uit de jaren vijftig met conditieproblemen en ook in het Smithsonian Museum in Washington deed hij onderzoek. Over de „desastreuze gevolgen” van chemische processen in naoorlogse schilderkunst hield hij recent een lezing op een symposium in het Rijksmuseum. De meeste voorbeelden die Boon toen toonde kwamen uit schilderijen van Appel.

Zijn onderzoek heeft zelfs Appel-kenners verrast. Franz Kaiser, hoofd tentoonstellingen bij het Haags Gemeentemuseum en tevens bestuurslid van de Karel Appel Stichting, wist van de hechtingsproblemen. Maar dat het bindmiddel in de schilderijen van Appel soms een eigen leven leidt en verf smelt, was hem nog nooit opgevallen. „Die chemische processen en hun uitwerking bij Appel, dat was nieuw voor ons.”

Om die reden kreeg Boon ook toestemming van het museum om daar onderzoek te doen, zegt Kaiser. Als hij hoort dat Boon een calamiteitenplan voor Appel nodig vindt en met een journalist heeft gesproken, stemt hem dat ongelukkig.

Een ongenuanceerde publicatie over de verftechnische complicaties kan volgens Kaiser de markt voor Karel Appel verstoren. „Mensen zien dan voortaan alleen nog de problemen en niet meer de schilderijen.”

Volgens Kaiser is sprake van een breed probleem, dat veel meer materieschilders raakt. Ook vraagt hij zich af hoe erg de gesignaleerde problemen zijn. „Een schilderij van Barnett Newman kan met één messnede kapot worden gemaakt. Maar verfverlies, druipers en tranend bindmiddel doen bij Appel geen afbreuk aan het geheel. Boon maakte mij attent op lekkende verf op Huilende krab (een schilderij uit 1954, red.). Tja, dat was me nog nooit opgevallen. Daar zou je overheen kunnen schilderen, maar maak je het daarmee echt beter?”

Kaiser relativeert de conditieproblemen dus. „Bij het ouder worden verandert kunst nu eenmaal. Geen enkel schilderij van Rembrandt is nu nog in dezelfde staat als in de zeventiende eeuw.”

Wondermiddel

Op zijn beurt relativeert Boon de mogelijke oplossingen. Wondermiddelen om de veroudering van schilderijen te herstellen bestaan niet, zegt hij. „Net als bij de mens is veroudering eenrichtingsverkeer. Herstellen op moleculair niveau is niet te doen.”

Maar door als onderzoeker „begrijpend te kijken” kan hij wel voorstellen doen om schade te beperken. „Als je de mechanismen van een fysiek of chemisch proces begrijpt, kun je maatregelen nemen. Bijvoorbeeld voor de klimaatcondities van de museumomgeving. En vergeet dan niet dezelfde maatregelen te nemen voor het depot, waar kunst vaak veel langer wordt opgeslagen.”

Intussen vreest Boon een beetje voor zijn rol als boodschapper van het slechte nieuws. „Daar houden musea niet van.” Dat hij toch naar buiten treedt, is omdat het volgens hem „onverstandig is om de problemen te laten liggen”.